Bewaren of weggooien?

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Bewaren of weggooien? Ook in het verleden stonden mensen elke dag voor de keuze. De vraag ging op voor een simpel kladbriefje of een beschadigd theekopje, maar ook voor een vervallen boerderij of een buitenplaats. Wat doelbewust is bewaard vertelt ons nu iets over het leven uit vroeger tijd en de waarde die men aan dingen hechtte. Maar ook dingen die ooit zijn weggegooid (en toch bewaard bleven) zijn een bron van kennis over vroeger.

Middeleeuwse ‘containers’ (opslagpotten), bodemvondsten van het kasteel van West-Souburg. (Erfgoed Zeeland)

Met opzet bewaard

Middeleeuwse oorkonden, en vele andere archiefstukken, bleven met opzet bewaard vanwege de juridische betekenis die eraan vastzit. Van deze stukken konden rechtskracht en bestuursmacht worden afgeleid. Ook veel kostbare kunstschatten doorstonden de tand des tijds. Dat hangt samen met de geldelijke waarde, maar ook met de symbolische betekenis die eraan werd gehecht. De wandtapijten met de zeeslagen op de Zeeuwse wateren, die de Staten van Zeeland lieten maken om te etaleren hoe het soevereine gewest Zeeland tot stand was gekomen, waren behalve een magnifiek staaltje ambachtelijk vakmanschap ook van grote symbolische waarde. De tapijten doorstonden in zinken kokers het oorlogsgeweld in mei 1940 en werden daarna op een geheime plaats in Limburg bewaard. Toen de Abdijgebouwen waren hersteld kwamen ze terug naar Middelburg. Nu zijn ze topstukken in het Zeeuws Museum.

Op de kunst- en erfgoedschatten werd goed gepast. Maar als de nood aan de man kwam, bleken zelfs de kostbaarste bezittingen niet altijd veilig. De verguld zilveren bokaal uit de 16de eeuw die keizer Karel V schonk aan Maximiliaan van Bourgondië, heer van Veere, bleef bijvoorbeeld ternauwernood voor Veere bewaard.

Bewaren om te bestuderen

Bewaren om te bestuderen deed opgeld in de achttiende eeuw. Leden van het in 1769 opgerichte Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen legden een verzameling zeldzaamheden aan, waaronder planten, schelpen en andere naturalia, kunstvoorwerpen, boeken, munten en penningen. Ze verzamelden de ‘wereld in het klein’, om wetenschappelijke kennis te verwerven en Gods schepping te bewonderen.

Bewaren en documenteren in het belang van de geschiedwetenschap en geschiedschrijving zou in de 19de eeuw een grote vlucht nemen. Brieven en andere handschriften werden met dat oogmerk bewaard, net als ‘oude’ kranten. Ook de verzamelingen van het Zeeuws Genootschap kwamen toen in het teken van de Zeeuwse geschiedenis te staan.

Dat wat uit het verleden is overgebleven – (cultureel) erfgoed – werd vanaf het eind van de 19de eeuw steeds meer gewaardeerd, niet alleen omdat het zicht bood op het verleden maar ook omdat het de identiteit van een dorp of stad, regio, provincie of land hielp schragen. Daardoor groeide ook de betekenis die werd gehecht aan het bewaren van monumentale gebouwen en in de loop van de 20ste eeuw ook die van historische stads- en dorpsgezichten en cultuurhistorisch belangrijke landschappen.

Yerseke Moer, waardevol cultuurlandschap. (Foto Het Zeeuwse Landschap)

Herinneringen

Los van algemene maatschappelijke ontwikkelingen bleven zaken bewaard omdat ze voor individuele mensen waarde hadden. Foto’s, poëziealbums en dagboeken geven een intiem beeld van het dagelijks leven in vroeger tijd. Het dagboek van Marie Verhage uit Koudekerke bijvoorbeeld, dat ze tussen 1940 en 1944 bij kaarslicht op een zolderkamertje bijhield, vertelt hoe een familie de oorlog beleefde. Ook objecten vertellen zulke verhalen. Een gereedschapskist bijvoorbeeld, die in een familie van scheepsbouwers van generatie op generatie werd doorgegeven. Of het rieten koffertje waarin een drie dagen oude baby tijdens de watersnoodramp van 1953 werd geëvacueerd. Het koffertje bleef mét het verhaal bewaard en werd aan het Watersnoodmuseum geschonken.

Herdenkingsmonumenten en standbeelden vormden een manier om collectief te herinneren en historische figuren bleven bijvoorbeeld bewaard in straatnamen. Toeristen bewaarden herinneringen aan een ‘plezierreisje’ naar Zeeland. Inwoners legden indrukwekkende gebeurtenissen vast die zich in hun omgeving afspeelden. Zo kerfde iemand zijn herinnering aan een aangespoelde walvis in een ruitje van Hoeve Van der Meulen en een ambachtsman noteerde details uit zijn leven op de onderkant van de laden van een kist.

Buiten gebruik

Sommige zaken raakten buiten gebruik maar bleven toch bewaard, meer of minder herkenbaar in het landschap. Oude dijken, grenslinden, tiendpalen of de veerstoep van het oude overzetveer tussen Groot Abeele en Nieuwe Abeele, aan het Jaagpad langs het Kanaal door Walcheren. Oude paden, lang in gebruik omdat ze simpelweg de kortste verbinding waren, dreigden door de naoorlogse ruilverkavelingen opgeslokt te worden, maar konden in sommige gevallen toch nog ‘gered’ worden. En bietenhaventjes, zoals die van Geersdijk en Strijenham, verloren hun functie voor de landbouw, maar kregen een nieuwe functie voor de watersport.

Het haventje van Geersdijk in 2012. (foto Danker van der Maas voor DNA Beeldbank Laat Zeeland Zien)

Weggegooid – maar toch bewaard

Een groot deel van wat archeologen in de bodem vinden is in het verleden als afval weggegooid. Het vertelt nu de verhalen uit oude tijden. Het bordje van Japans porselein dat in de beerbak van een rijke Vlissingse familie belandde, wordt nu met grote belangstelling door Japanse archeologen bestudeerd. In de afvalkuil van de buitenplaats Ramsburg bij Middelburg werden resten gevonden van een cavia, de vroegste die in Nederland bekend is. De cavia getuigt van een exotisch tintje aan het buitenleven van een welgestelde familie.

Ook bedrijfsafval dat in de grond bewaard bleef, geeft ons een blik in de wereld van toen. Afvaldumps met mosselschelpen uit de Romeinse tijd in de forten van Aardenburg en in een oude dijk bij Serooskerke (W) laten zien dat ter plekke vissaus werd geproduceerd of schelpdieren werden geconserveerd. En de hoornpitten die in Middelburg op de plaats van een voormalige leerlooierij in de bodem werden gevonden zijn restanten van de runderhuiden die hier werden verwerkt.

Wat als je iets niet mag weggooien maar het ook niet zomaar kunt bewaren? Die vraag moet in de Late IJzertijd de bewoners van het noordwesten van Walcheren hebben beziggehouden voordat ze de resten van hun rituele handelingen in een offerkuil begroeven. Het is ook een eigentijdse vraag. De vraag die COVRA (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) bezighoudt. Onder het radioactief afval dat daar wordt bewaard bevindt zich ook erfgoed: het buisje met radiumchloride dat Marie Curie in 1911 naar Nederland bracht om het verder te laten onderzoeken. Overigens bewaart COVRA nog meer erfgoed: het is ook een depot voor de Zeeuwse musea.

Het buisje van Marie Curie in de opslag bij COVRA. (Foto COVRA)

Tip voor verder lezen
www.heritage-futures.org