Romeinen in Zeeland

verhaal Erfgoed Zeeland

Een kleine vijf eeuwen maakte het gebied van het huidige Zeeland deel uit van het Romeinse rijk. De cultuur van de inheemse bevolking mengde zich met de Romeinse cultuur en dankzij de handelscontacten met andere delen van het Romeinse rijk brak een tijd van economische voorspoed aan. Ontdek in dit verhaal de Romeinse tijd in Zeeland. Klik op een plaatje en lees meer.

Het gebied van de Scheldemonding – waar nu Zeeland ligt – werd in 53 voor Christus veroverd door Julius Caesar, maar onder keizer Augustus werd dit gebied pas onder Romeins bestuur gebracht. Het gebied bestond uit een uitgestrekt veenlandschap achter een duinenrij. Pas later zou het door inbraken van de zee in een eilandenrijk veranderen. Ter hoogte van de huidige Westerschelde was een grote inbraakgeul, die echter (nog) niet aansloot op de rivier de Schelde. De Schelde (Scaldis) zelf liep verder naar het noorden (de huidige Oosterschelde) en mondde ter hoogte van Westenschouwen in de Noordzee.

In de Romeinse tijd bewoonden de stammen van de Menapiërs, de Marsaci en de Frisiavones het gebied. De inlijving bracht de bevolking onder het centrale Romeinse gezag. De opname in het Romeinse wereldrijk had voordelen op sociaal en economisch gebied. De Romeinen introduceerden ook nieuwe planten en vruchten. Daaronder kersen, pruimen en walnoten.

Vanwege de strategische economische positie werden op de plaats van het huidige Domburg en Colijnsplaat handelsnederzettingen gevestigd. De locatie bij Domburg kwam eeuwen geleden al aan het licht toen op het strand restanten van votiefaltaren blootspoelden.

De votiefaltaren die Domburgers in 1647 op het strand vonden, gingen twee eeuwen later voor een deel verloren bij een brand in de kerk van Domburg, waar de stenen lagen opgeslagen. Gelukkig hebben we de tekeningen nog…

Het bestaan van de havenplaats Ganuenta werd in 1970 ontdekt toen voor de kust van Colijnsplaat delen van altaren voor de godin Nehalennia werden opgevist.

Onderzoek en vele altaarvondsten daarna duidden op een havenplaats (Ganuenta) met een tempel voor de godin Nehalennia.

De handelsnederzettingen vormden een schakel in de overzeese handel vanuit Nederland, België en Duitsland naar Engeland en Frankrijk en in de bevoorrading van het leger en nederzettingen in het Rijngebied.

De bevolking in het mondingsgebied van de Schelde leefde vooral van de opbrengsten van de veeteelt en van de zee (zout, visproducten, schelpdieren en kalk). Zout zou je het Zeeuwse goud uit de Romeinse tijd kunnen noemen.

Sommige inwoners specialiseerden zich in het maken van ‘allec’, een gekruide zoute vissaus gemaakt van oesters of kleine haringachtigen, ook wel in aangepaste vorm van mosselen en kokkels. Een terp uit de Romeinse tijd bij Serooskerke (W) waarvan de flanken aan bijna alle zijden bedekt bleken met een dikke laag schelpen en afval, bevat de resten van duizenden kilo’s schelpdieren, een aanwijzing dat ter plekke op grote schaal vissaus of schelpdierenconserven zijn geproduceerd.

Die allec werd mogelijk in amforen gegoten en geëxporteerd. Dergelijke aardewerken vaten werden door de Romeinen ook gebruikt voor het vervoer van bijvoorbeeld olijfolie en wijn.

Al vrij snel na de inlijving door de Romeinen werden er militaire steunpunten aangelegd. Uit vondsten die ter plekke zijn gedaan valt af te leiden dat er dergelijke installaties moeten zijn geweest aan de noordkant van Walcheren (nu in zee voor de kust van Oostkapelle/Oranjezon) en aan de noordoever van de (Ooster)Schelde ter hoogte van het voormalige werkeiland Roggenplaat, waar mogelijk het castellum Roompot lag. Beide steunpunten kunnen de nabijgelegen haven hebben beschermd en de handelsvaart op Engeland en de Franse kust.

In de Midden-Romeinse tijd nam de bevolking toe en daarmee ook het aantal nederzettingen. Het hoogtepunt werd tussen 150 en 250 na Christus bereikt. Landbouwers woonden in grote woonstalhuizen. Bij Kapelle zijn op het bedrijventerrein Smokkelhoek sporen gevonden van Romeinse bewoning die meer licht werpen op hoe het gebied in die tijd gebruikt werd.

In de handelscentra en bij de militaire bases stonden tempels waar Romeins-inheemse goden werden vereerd, onder wie Hercules Magusanus, Burorina en Nehalennia. In 1514 werd in Westkapelle een altaarsteen gewijd aan Hercules Magusanus gevonden.

De teruggevonden wij-altaren voor Nehalennia waren opgericht door schippers, handelslieden en soldaten. Voordat zij op reis waren gegaan, hadden zij de beschermgodin beloofd om een altaar voor haar op te richten als ze behouden zouden terugkeren.

Rond 170 na Chr. vielen zeerovers uit het gebied van de Duitse noordkust binnen. Daarna stichtten de Romeinen een castellum (fort) in Aardenburg. Drie keer werd hier een militaire versterking gebouwd: rond 170 na Chr., 190 na Chr. en 260 na Chr. Van de eerste versterking zijn alleen gebouwresten bewaard gebleven. Van het tweede castellum, dat voorzien was van een aarden verdedigingswal, zijn resten opgegraven van een groot hoofdkwartier en manschapsbarakken. De versterking werd dertig jaar na de aanleg verbouwd; het hoofdkwartier werd uitgebreid, er kwam een kleine tempel en buiten de wal werd een nieuwe verdedigingsgracht gegraven. Dit kamp werd omstreeks het jaar 240 verwoest en verlaten. Ongeveer twintig jaar later werd op dezelfde plaats een nieuw fort gebouwd, nu omgeven door een stenen verdedigingsmuur met ronde torens en een vijftien meter brede natte gracht. Dit fort bleef in gebruik tot ongeveer het jaar 290.

Uit vondsten die in Aardenburg zijn gedaan – het is een van de best onderzochte opgravingslocaties in Zeeland – konden niet alleen de Romeinse militaire werken worden gereconstrueerd maar kon ook een beeld worden verkregen van aspecten van het dagelijks leven in en rond het castellum.

Er werden Romeinse muurschilderingen aangetroffen.

Onder de muurschilderingen bevonden zich geschilderde imitaties van marmersoorten, die interieurs rijkdom en status moesten verlenen. Romeinse fake dus…

Ook kwamen we dankzij bodemvondsten meer te weten over hoe men in die tijd het lichaam verzorgde. Met een oorlepeltje bijvoorbeeld, het Romeinse wattenstaafje…

En sommige objecten blijven omgeven met raadsels. Zoals de terracotta vogel die in deze mal werd gebakken. Is hij een offer geweest, een grafgift of kinderspeelgoed?

Maar de situatie in dit deel van het immense Romeinse rijk was aan het eind van de tweede eeuw niet meer zo stabiel als eerder. Behalve de invallen van Germaanse stammen vormde de zeespiegelstijging in de Scheldedelta een steeds groter gevaar. Hoge waterstanden waren al langer een probleem, het veengebied aan de kust werd steeds natter. De inwoners verdedigden zich daar met dijkjes van klei of veenplaggen tegen hoge waterstanden. In het achterland waren bewoning en economische activiteiten nog steeds mogelijk tot voorbij het midden van de 3de eeuw. Maar aan het einde van de 3de eeuw sloeg de zee gaten in de duinenrij en kon er, behalve op de strandwal, amper nog gewoond worden in het gebied. De bewoners van het binnenland trokken weg.

Vanaf omstreeks het jaar 275 was Zeeland uiterst dun bevolkt. De achterblijvende bevolking en de Germaanse nieuwkomers lijken het centrale Romeins gezag nog steeds tot op zekere hoogte erkend te hebben. Begin vijfde eeuw kwam er in het noordwesten van het Romeinse rijk als gevolg van plunderingen door Germaanse stammen definitief een einde aan het Romeinse gezag.

Meer weten?

Bekijk het filmpje uit de Canon van Zeeland over de Nehalenniatempel in Colijnsplaat.