Vondsten uit de Wanteskuip

door Jan Kuipers
verhaal Uit de Zeeuwse klei, gepubliceerd op

Sinds kort kun je vanachter vogelkijkschermen naar de gevederde populatie van het vogeleiland Soeke in de Wanteskuip kijken, ten westen van Colijnsplaat. Soeke is Zeelands merkwaardigste eiland, maar niet alleen vanwege de vogels. Het kunstmatige broedeiland van 17 ton schelpen en staalmatten werd in 2000 drijvend gemaakt om de archeologische resten op de bodem van de Wanteskuip te beschermen. Het is genoemd naar het middeleeuwse dorp Soecke of Hoeke, dat er zou hebben gelegen.

Kapel?

De Wanteskuip aan de noordwestkant van de Oud-Noord-Bevelandpolder ontstond in 1785 door het indijken van een ondergelopen stukje land. Zij is genoemd naar J. Wante, een boer uit de omgeving. Al in 1866 zijn er veel skeletten aangetroffen. De ‘kupe’ werd toen als put voor kleiwinning ten behoeve van dijkherstel gebruikt. Ook andere vondsten zijn toen aangetroffen, zoals een roodbakken metselsteen, voorstellende een ‘menschengelaat’. In dit jaar liet de Middelburgse geneesheer, antropoloog en historicus J.C. de Man ter plaatse speurwerk verrichten, waarbij ook de overblijfselen van een gebouw werden ontdekt. Op een door De Man vervaardigd kaartje noteerde hij dit bouwsel met negentiende-eeuws zelfvertrouwen als kapel. De mening dat hier ooit het verdronken Soecke (Dijxhoeke, Hoeke, ‘s-Gravenhoeke) lag, was een vrucht van historisch onderzoek.

J.C. de Man, onderzoeker van de Wanteskuip.J.C. de Man, onderzoeker van de Wanteskuip.

Of toch een kasteel?

Op 30 oktober 1909 brak de Wanteskuip in, waarna zij lang ‘drijvende’ bleef. De daaropvolgende jaren werd het grasland van de kuip meer en meer door de zee afgekalfd. Dit proces bracht in 1924 weer fundamenten van het al door J.C. de Man beschreven gebouw tevoorschijn. Een nieuwe generatie Zeeuwse oudheidkundigen toog op weg om het fenomeen zelf te aanschouwen. Mr. A. Meerkamp van Embden en dr. W.S. Unger, namens het Zeeuwsch Genootschap én de Provinciale Zeeuwsche Schoonheids- en Archeologische Commissie, bezochten de Wanteskuip onder geleide van de Kortgeense arts L.G. Gelderman. Aldaar zagen ze minstens vijf lagen metselwerk van een rechthoekig gebouw van 18,80 bij 7,17 meter, aan het noordfront voorzien van twee ronde hoektorens met een binnendoorsnede van 2,60 meter.

Was dit nu de kapel van De Man? Alhoewel de bouwresten dezelfde als die van 1866 moesten zijn, zagen Meerkamp van Embden en Unger er eerder een klein kasteel in, vermoedelijk gebouwd door de heren van Emelisse. Dit was een andere belangrijke nederzetting op het middeleeuwse Noord-Beveland. Soecke of Hoeke zou in dat geval meer naar het westen liggen.

De opmetingen uit 1924.De opmetingen uit 1924.

Kerkhof

Deze zaak was nader onderzoek waard, vond men. Het jaarverslag van het Zeeuwsch Genootschap over 1925 meldt dan ook overleg met het bestuur van de Oud-Noord-Bevelandpolder om te zien, wat voor het behoud der fundamenten kon worden gedaan. Veel gevolgen heeft dat overleg niet gehad. In de jaren na 1924 ging door de werking van eb en vloed het merendeel van de mysterieuze bouwresten verloren. Anderzijds kwamen door dezelfde getijwerking wel weer restanten van het in 1866 ontdekte kerkhof voor de dag. Toch het kerkhof van het dorp Soecke? Niet noodzakelijk. In het jaarverslag over 1925 werd geopperd dat de in 1866 gevonden skeletten afkomstig konden zijn van de bezetting van het kasteeltje, of van in gevechten gesneuvelden.

Vandalisme

Gevolg van de publiciteit in 1925 was, dat het publiek binnen korte tijd vrijwel niets van de resten overliet. In februari 1938 meldde de Vlissingse Courant opnieuw vondsten van tientallen skeletten, aan de oostkant van de kuip. Soms nog ‘gave geraamten met wervelkolom, ribben, teenen en vingers’. Het vandalisme kende weer ‘geen grenzen en men ontziet zich niet tegen de beenderen te schoppen, zodat ze uit het verband geraken. Schedels liggen overal verspreid.’ De graven waren ‘goed te zien en ook de rijen waarin begraven werd. Het kerkhof is alleen bij laag water te zien.’

Al met al leverde de ontdekking van de ‘nederzetting’ in de Wanteskuip vooral nieuwe vragen op, wat trouwens niet ongewoon is bij archeologische waarnemingen. Misschien geven de archeologische resten die nu nog in de kuip aanwezig zijn, in de toekomst nog enig uitsluitsel. Tot die tijd waakt en beschermt het drijvende eiland met zijn bevolking van steltlopers, kiekendieven, roerdompen en lepelaars de oudheden.

Bericht uit de Vlissingse Courant, 22 februari 1938.Bericht uit de Vlissingse Courant, 22 februari 1938.

Literatuur

M.P. de Bruin en M.H. Wilderom, Tussen afsluitdammen en deltadijken, dl. I (Vlissingen, 1961).
Alette van den Hazelkamp, Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken. Een cultuurhistorische visie bij dijkverbeteringswerken aan de Oosterschelde (Goes, 2008).
Jan J.B. Kuipers (eindred.), Sluimerend in slik. Verdronken dorpen en verdronken land in zuidwest Nederland (Middelburg/Vlissingen, 2004) 48-49 nr. 18, 74-75.
Jan J.B. Kuipers, ‘Piet Zuijdweg, de man die alles zocht’, Westerheem 55/5 (2006) 238-245.
Jan J.B. Kuipers & Chiel Jacobusse, Inlagen en karrevelden. Het Zeeuwse monument 1 (Goes, 1998).
J.A. Trimpe Burger, Jan J.B. Kuipers, ‘Wanteskuip‘, in: [Digitale] Encyclopedie van Zeeland.