Verdronken Koudekerke

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Wie de smalle traptreden van de Plompe Toren beklimt, belandt in een levende atlas. Het uitzicht is grandioos. De toren staat pal aan de Oosterschelde. Hij is het enige zichtbare overblijfsel van het verdronken dorp Koudekerke op het eiland Schouwen. Het Zuidland van Schouwen ging tussen 1475 en 1650 vrijwel geheel verloren. De toren is nu een bezoekerscentrum, ingericht door de eigenaar de Vereniging Natuurmonumenten.

Verdiepingen

De houten deur van de Plompe Toren biedt toegang tot een leerzame attractie. Op de verschillende verdiepingen krijgen de bezoekers met museale en multimediale middelen uitleg over het verdronken Koudekerke en zijn omgeving. De smalle treden leiden tenslotte naar het open platform op het dak van de spitsloze toren. Hier wijzen bordjes met pijltjes naar interessante punten in het wijde landschap rondom.

De Plompe Toren bij de Koudekerkse Inlaag en de Oosterschelde. (Beeldbank SCEZ)De Plompe Toren bij de Koudekerkse Inlaag en de Oosterschelde. (Beeldbank SCEZ)

Wonder

Naar het zuiden is er de brede Oosterschelde, met de Roggenplaat en de Oliegeul. Daarachter bevindt zich de kust van Noord-Beveland, waarheen de ijle contouren van de Zeelandbrug voeren. In het westen strekt zich het waterstaatkundig wonder van de Oosterscheldekering uit. Bij de ingebruikname in 1986 sprak Koningin Beatrix de volgende gedenkwaardige woorden: ‘De stormvloedkering is gesloten. De Deltawerken zijn voltooid. Zeeland is veilig.’ Ze sloot daarmee een ruim 30 jaar en ongeveer 15 miljard gulden vergend project af.

117 verdwenen dorpen

Zeeland veilig? Dat was vroeger wel anders. De Plompe Toren is een massieve herinnering aan die tijden. Koudekerke, eens een bloeiende nederzetting, behoort tot de minstens 117 verdronken kerkdorpen die Zeeland telt. Het dorp Koudekerke was deel van het Zuidland, een tot 4 kilometer breed poldergebied met veel dorpen.

Zuidland

Waar nu de pittoreske driehoekjes van zeilbootjes voortschuiven, kon je eens herders met hun kuddes zien dolen, boeren hun akkers zien inspecteren en mensen naar de mis zien gaan. Het Zuidland van Schouwen ging tussen 1475 en 1650 vrijwel geheel verloren. Waterstaatshistoricus M.H. Wilderom heeft becijferd, dat aan de zuidkant van Schouwen zo’n 3.500 hectare polderland is verdwenen.

Stroomgat

Gezien vanaf het dak van de Plompe Toren (de bijbehorende kerk is in 1583 afgebroken) ligt in het oosten de Schelphoek. Dit is een reservaat van ongeveer 425 hectare dat onder meer een ‘inbraakkrekengebied’ met diepe geulen omvat. Het is ontstaan tijdens de Februariramp van 1953. Caissons en een betonschip in de herstelde dijk herinneren aan deze ramp.

Vingerling

Buitendijks strekt zich nu onder invloed van het getij een natuurgebied in de Oosterschelde uit. Het binnendijkse gebied is deels ingericht voor recreatie, met viswater en picknickplaatsen. Het Schelphoekgebied is een vroeg voorbeeld van de omstreden ‘ontpoldering’. Het stroomgat schuurde in 1953 zó diep uit, dat de oude dijk niet kon worden hersteld. De waterwerkers namen toen maar hun toevlucht tot een in oorsprong middeleeuwse techniek. Ze dijkten het diepe gat buiten met de aanleg van een zogenaamde ‘vingerling’. Dit is een dijk die na diepe doorbraken landinwaarts achter het stroomgat wordt gelegd.

Koudekerkse Inlaag met karrenvelden

Ook naar het noorden zijn alom sporen van de strijd tegen het water. Rondom en aan de voet van de Plompe Toren ligt de Koudekerkse Inlaag met daarin de zogenaamde karrenvelden.

Inlaagdijken

De aanleg van inlaagdijken gaat eveneens terug tot de middeleeuwen. De scheidslijn van land en water, alom in Zeeland aanwezig, is er op veel plaatsen sterk door bepaald. De meeste inlagen zijn te vinden langs de Oosterschelde. Ze liggen aan de zuidkust van Schouwen en de noordkust van Noord-Beveland. Ze werden aangelegd op plaatsen waar wegens oever- en dijkvallen gevaar bestond voor overstroming. Om dat te voorkomen werd bij wijze van ‘buffer’ achter de bedreigde zeewering een reservedijk gelegd, een zogenoemde inlaagdijk. De strook tussen zee- en inlaagdijk heette inlaag of, in de middeleeuwen, ‘insete’.

Karrenvelden

En de karrenvelden, waaraan veel Zeeuwse inlagen hun karakteristieke aanblik danken? Die zijn het gevolg van afgravingen om de voorliggende zeedijk te versterken. De klei werd in stroken verwijderd. Hierdoor ontstonden langgerekte plassen of greppels, gescheiden door ‘dammetjes’. Achterin een karrenveld zie je vaak een afwateringssloot. De afgegraven klei werd met karren afgevoerd, vandaar de naam.