Visserij

Zeeland is land én water. Tegelijk is dit de plek waar zoet en zout water elkaar tegenkomen en dat levert een grote rijkdom aan voedsel op. Je vindt hier niet alleen veel vis, maar ook schaal- en schelpdieren. Dat hadden jagers en verzamelaars al vroeg in de gaten. Al sinds de prehistorie wordt hier gevist.

Oude sporen

Op verschillende plekken in Zeeland zijn prehistorische sporen van gevonden van visserij. Weerhaken van een harpoen bij Aardenburg uit het mesolithicum bijvoorbeeld. In het Verdronken Land van Saeftinghe zijn onder andere netgewichten uit de ijzertijd gevonden. Daaruit blijkt dat toen al met netten werd gevist.

Visserij in de Romeinse tijd

Er zijn ook veel sporen uit de Romeinse tijd. Netgewichten, maar ook visnetnaalden. Er werd toen gevist voor eigen consumptie en tegelijk kwam de handel in visproducten op gang. Er werd allec (een soort vissaus) geproduceerd. Archeologische bewijzen hiervoor zijn in afvalputten gevonden. Daaruit blijkt trouwens ook dat schelpdieren (mosselen, oesters en kokkels) populair waren.

Van zelfvoorziening naar handel

Vanaf de elfde en twaalfde eeuw woonden mensen meer in nederzettingen. Er ontstonden handelsmarkten. Het was in die tijd heel gebruikelijk dat elk product een eigen marktlocatie had. Dit kom je nu nog in het straatbeeld tegen. Goes heeft bijvoorbeeld een Oude Vismarkt en Middelburg een Vismarkt. Die laatste locatie is een bijzonder pittoreske plek met monumentenstatus. Er wordt hier elke eerste zaterdag van de maand een rommelmarkt georganiseerd.

Fuiken (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Berrevoets).

Fuiken (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Berrevoets).

Vakmanschap

Langzamerhand werd de visserij een specialisme. En doordat er net buiten de provincie grote steden ontstonden (Gent en Brugge) kwamen er ook vissersdorpjes op die de steden voorzagen van vis en schelpdieren. Elke vorm van visserij ontwikkelde eigen vangstmethoden met de daarbij behorende netten.

Haringvisserij

Vanaf de veertiende eeuw werd er goed georganiseerd, ook vanaf grotere schepen, vanuit Zeeland op haring gevist. Vis (en dus ook haring) is van nature beperkt houdbaar. Eind veertiende eeuw werd het haringkaken geïntroduceerd. De vis werd al aan boord schoongemaakt en gezouten. Volgens de overlevering was Willem Beukelszoon uit Biervliet de uitvinder van deze techniek. Hoewel er twijfel bestaat of dit klopt, wordt Beukelszoon wel in het zonnetje gezet in Biervliet. In de plaatselijke hervormde kerk staat hij prominent op een prachtig zeventiende-eeuws glas-in-loodraam en staat er een standbeeld van hem in het stadscentrum.

Willem Beukelszoon van Biervliet, afbeelding van het raam in de kerk van Biervliet. Uit: Zeeuwse Volksalmanak 1844 (Zeeuws Archief, KZGW, Zelandia Illustrata).

Willem Beukelszoon van Biervliet, afbeelding van het raam in de kerk van Biervliet. Uit: Zeeuwse Volksalmanak 1844 (Zeeuws Archief, KZGW, Zelandia Illustrata).

Groei

Van wie de uitvinding ook kwam, het veranderde de Zeeuwse haringvisserij en bracht grote welvaart. De vissers konden wekenlang wegblijven. Er waren zelfs grotere schepen nodig om alle haring te kunnen vervoeren. De haringvisserij betekende een grote economische impuls voor veel Zeeuwse vissersplaatsen. En omdat er veel zout nodig was voor het pekelen van de vis, profiteerden ook plaatsen waar zout werd gewonnen. De groei ging snel, maar even snel ging deze bloeiende industrie weer ten onder. Verre tochten werden door kaapvaart en de Tachtigjarige Oorlog te riskant.

Kustvisserij

Toen de haringvangst terugliep, nam de kustvisserij het over. Er werd vooral gevist op kabeljauw, heilbot, tarbot en schelvis, molenaar en harder voor de lokale markt. Een aantal dorpen groeide uit tot echte vissersplaatsen. Zo voegden Arnemuiden, Brouwershaven, Westkapelle en Biervliet zich bij gevestigde namen als Zierikzee en Vlissingen.

Strandvisserij

Er werd ook op platvis gevist. Dit gebeurde vanaf de kust met sleepnetten. Vaak werd dit op mankracht gedaan, maar soms werden de netten ook door paarden getrokken. Van deze manier van vissen worden in de zomermaanden nog demonstraties gegeven vanuit Breskens. Sleepnetten zijn trouwens nog steeds in gebruik, maar dan op schepen die ermee op garnalen of platvis vissen. Je kunt ze makkelijk herkennen. Aan de vorm van de netten zie je dat ze open blijven staan tijdens het slepen en ze zijn bevestigd aan zogenaamde ‘bomen’. Vanaf de kust werd ook met fuiken gevist. Een bijzondere vorm van visserij met fuiken was de weervisserij. Tegenwoordig gebeurt het nog op drie plaatsen in de Oosterschelde, maar tijdens de hoogtijdagen van de weervisserij waren er zo’n dertig locaties in gebruik en was de ansjovis die er gevangen werd een wereldberoemde delicatesse.

Garnalenvisserij

Op garnalen werd ook vanaf de kust gevist. Maar zo vanaf de vijftiende eeuw werden er ook schepen voor gebruikt. Het platbodemtype hoogaars was speciaal gemaakt voor de garnalenvangst. Aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog nam de vraag naar vis én naar garnalen enorm toe. Vissers gingen de garnalen aan boord verwerken zodat ze beter houdbaar waren en de conserveringstechnieken met zout werden verbeterd. Vanaf eind negentiende eeuw werden de garnalen zelfs aan boord gekookt.

Manden met garnalen aan de kade in Brouwershaven, 1966 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto F. Jansen).

Manden met garnalen aan de kade in Brouwershaven, 1966 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto F. Jansen).

Arnemuiden

Vooral Arnemuiden stond bekend om de garnalenvangst. De mannen voeren uit op hun hoogaarzen, kookten de garnalen aan boord en thuis werkte het hele gezin mee aan het pellen. Als je wilt zien hoe vissers hier vroeger leefden, breng dan een bezoek aan het Museum Arnemuiden. Zij hebben ’t Uusje van Eine – een visserswoning van begin twintigste eeuw – helemaal ingericht. Ook vind je in het stadje Werf Arnemuiden. Hier werden vroeger hoogaarzen gebouwd. Tegenwoordig is het een museumwerf waar wordt gewerkt aan het herstel en behoud van hoogaarzen.

Vrouwen in de visserij

Niet alleen in Arnemuiden speelden het gezin en de vrouwen een belangrijke rol in de visserij. Vrouwen gingen weliswaar niet naar zee, maar ze waren cruciaal in de voorbereiding van de vaart en het verwerken en verkopen van de vangst. Vrouwen maakten en boetten netten en maakten vis schoon. Ook de verkoop bracht veel en zwaar werk met zich mee. Arnemuidse vrouwen liepen bijvoorbeeld met een juk met daaraan twee zware manden naar Middelburg, Vlissingen of Goes om hun waar te verkopen.

De netten van de ARM-44 Neeltje Jannetje worden uitgezet in de Noordzee, 2003 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm).

De netten van de ARM-44 Neeltje Jannetje worden uitgezet in de Noordzee, 2003 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm).

Visserij anno nu

Nog steeds wordt er volop gevist vanuit Zeeland. Wekelijks varen schepen uit Breskens, Vlissingen en Colijnsplaat uit. Er heeft een schaalvergroting plaatsgevonden. De vissers gaan de zee op met flinke kotters. Tegelijk blijft er ruimte voor kleinschaligere branches zoals de palingvangst (op Schouwen-Duiveland vind je nog authentieke palingrokerijen) en kreeftenvangst (de Oosterscheldekreeft is een delicatesse waar je van eind maart tot half juli van kunt genieten in de betere restaurants).

Trots op de visserij

Zeeuwen zijn trots op de visserij. Ze vieren de bedrijfstak regelmatig en laten ook graag zien wat er allemaal binnen de visserij speelt. Er zijn dan ook heel wat jaarlijkse visserijfeesten waar je letterlijk van de visserij kunt proeven. Daarnaast zijn er een paar visserijmusea: Visserijmuseum Breskens, Brusea in Bruinisse en het Oosterscheldemuseum in Yerseke.