Steentijdjagers uit Sint Kruis

door Hans Jongepier

De Aardenburgse amateurarcheoloog Marien Kegel heeft in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw enkele duizenden stuks vuursteen verzameld van een akker bij Sint Kruis, drie kilometer ten oosten van Aardenburg. Nadat de akker was bewerkt kon hij de voorwerpen van de oppervlakte oprapen, vooral als ze door een regenbui waren uitgespoeld. Hij meldde de vondsten bij de toenmalige provinciaal archeoloog Jan Trimpe Burger.

Aardenburg en Sint Kruis liggen op een west-oost georiënteerde zandrug. Deze is aan het eind van de laatste ijstijd, ruwweg 10.000 jaar geleden, in een destijds vrij kaal landschap door de wind opgeblazen. De vindplaats van de vuurstenen bevindt zich op een klein zandkopje uit dezelfde tijd. Zulke zandkopjes waren voor de toen levende jagers en verzamelaars strategische plaatsen voor observatie van jachtwild.

Van boven naar beneden: trapezia, mesjes en spitsen (Beeldbank SCEZ).Van boven naar beneden: trapezia, mesjes en spitsen (Beeldbank Erfgoed Zeeland).

Kleine werktuigen

Bij een veldkartering op deze plek trof Erfgoed Zeeland opnieuw tientallen voorwerpen aan. Het grootste deel van de objecten bestaat uit kleine spitsen, schrabbertjes, mesjes, trapezia en afval van vuursteenbewerking. Op grond van de werktuigtypen dateren ze uit de midden steentijd of mesolithicum (8000-4000 v. Chr.). Het klimaat was toen vergelijkbaar met dat van nu. In het algemeen zijn de werktuigen niet groot, in tegenstelling tot die uit de oude steentijd, toen de mens joeg op grote zoogdieren die op steppen leefden, zoals mammoet, wolharige neushoorn, steppewisent en reuzenhert. In de warmere tijd na de ijstijd stierven veel van deze diersoorten uit en namen kleinere bosdieren hun plaats in. Ook ging de mens zich meer met de vogel- en visvangst bezighouden. De kleine vuurstenen werktuigen, zogenaamde microlieten, waren daarvoor bij uitstek geschikt. De spitsen waren zeer effectief als pijlpunten, is uit experimenten gebleken. Meerdere trapezia en mesjes bracht men soms achter elkaar aan in een gekerfde groef in een stuk bot, dat hierdoor als zaagje en mes kon worden gebruikt. Schrabbertjes dienden voor onder meer hout- en huidenbewerking.

Een aantal trapezia in een stuk bot vormden een zaagjeEen aantal trapezia in een stuk bot vormden een zaagje.

Vuursteenrijke plekken

Aangezien er veel werktuigen vertegenwoordigd zijn in het vondstmateriaal van Sint Kruis kunnen we denken aan een jachtkampje, waar pijlpunten werden vervaardigd en geschoten wild werd geslacht. Daar de steentijdmens nog niet over metalen voorwerpen beschikte moest men zich beperken tot steen, bot en hout. Men was daarin al zeer inventief. Hout en dierlijk botmateriaal waren binnen handbereik in een inmiddels bebost landschap. Het vinden van geschikte steen leverde waarschijnlijk meer problemen op. Door de rijke vegetatie was veel ruw vuursteenmateriaal aan het zicht onttrokken. Aangezien men nog niet aan vuursteenmijnbouw deed was alles welkom. Vermoedelijk ging een deel van een groep op zoek naar vuursteenrijke plekken, zoals die voorkwamen in meerdere delen van België. Zo bevinden zich tussen het vondstmateriaal voorwerpen van een kwartsietsoort uit de omgeving van Tienen. Dat is vanaf de vindplaats hemelsbreed toch al gauw 110 kilometer naar het zuidoosten. Een andere mogelijkheid is dat er uitwisselingsnetwerken bestonden tussen de groepen in verschillende regio’s, zodat men grondstoffen door ruil verkreeg. Afgaande op de informatie van Jan Trimpe Burger dat er drie vuursteenconcentraties aan de oppervlakte van de akker aanwezig waren, zijn in verschillende delen van het kamp misschien specifieke activiteiten verricht.