Thoolse blingbling uit de IJzertijd

door Jan Kuipers

Een open armbandje van paarsachtig, bijna ondoorschijnend glas. Het is aan twee kanten versierd met een opgelegde, goudgele glasdraad in zigzagpatroon. Amateur-archeoloog P. Jasperse vond dit sieraad in 1956 in een vers gegraven sloot bij Poortvliet. De binnendoorsnede was ongeveer 4,5 centimeter. Dat leek zelfs voor een kleuter te klein. Was het misschien geen armband, maar een grote ring, die met andere ringen aan een koord om de hals werd gedragen? Duidelijk was in elk geval, dat deze vondst een voortbrengsel was van de befaamde La Tène-cultuur, een prehistorische cultuur ten noorden van de Alpen in de IJzertijd.

Importproduct

De Thoolse ring of armband dateert uit de laatste eeuwen voor de jaartelling. Het was een importproduct waarvan ook elders in Nederland voorbeelden zijn gevonden. Maar die van Jasperse was de enige complete. Op de slikken van de Oosterschelde vond Jasperse jaren later nóg een armbandfragment uit de late IJzertijd. Deze keer van git, een zwart gesteente. De buitendoorsnede was 10,5 centimeter: een flinke armband dus, vergeleken met z’n glazen voorganger

De glazen La Tène-armband uit Tholen (tekening auteur).De glazen La Tène-armband uit Tholen (tekening auteur).

Afweer en geld

Het patroon op de glazen La Tène-armband kwam volgens de oudheidkundige W.H. Kam uit Nijmegen overeen met de gele zigzaglijn op de rug van een adder. Het sieraad uit prehistorisch Tholen had dus misschien gediend als afweermiddel tegen adderbeten, dacht Kam. Een magische functie, die meer tot de verbeelding spreekt dan die van de gitten armband die Jasperse later vond. Want zulke armbanden werden ook gebruikt als betaalmiddel. Die praktijk zou nog lang voortduren. Ook in de vroege Middeleeuwen, eeuwen later, werden in stukken gehakte sieraden van goud en zilver door onder anderen de Vikingen gebruikt als een vorm van geld.

Tholen was in de late IJzertijd deel van een uitgestrekt kustveenmoeras ten noorden en oosten van de oude Scheldeloop. Armetierig land. Maar sommige ‘Tholenaren’ in deze periode moeten, getuige de sieraden van Jasperse, toch enige welstand hebben gekend.