Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk in Veere

De enorme Onze-Lieve-Vrouwekerk van Veere domineert het omringende landschap. Van dichtbij maakt de laatgotische kruisbasiliek echter een gevangenisachtige indruk. De grote laatgotische vensters zijn niet gevuld met traceerwerk waarin glas-in-lood ramen zijn gevat. Nee, de openingen zijn opgevuld met baksteen waarin rechthoekige vensteropeningen zijn uitgespaard. Aan buiten- en binnenkant is duidelijk zichtbaar dat de kerk veel heeft geleden.

De Grote Kerk omstreeks 1970. (ZB, Beeldbank Zeeland, kleurendia A. van Wyngen)De Grote Kerk omstreeks 1970. (ZB, Beeldbank Zeeland, kleurendia A. van Wyngen)

Tot in Zierikzee

De Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw of Grote Kerk was na een kapel (13de eeuw) en een eerste kerk (1332/1348) Veeres derde kerk. Zij werd tegen de eerste kerk, een driebeukig hallenkerkje dat voortaan als koor fungeerde, aan gebouwd. Haar grootte dankt zij aan Veeres handelsbloei in de late middeleeuwen, maar ook aan de (internationale) machtspositie van opdrachtgever Hendrik II van Borssele (1404-1474), heer van Veere. De grootte hoort ook bij de Brabantse Gotiek, de stijl waarin zij gebouwd is. Denk daarbij aan de grote kerken van Dordrecht, Mechelen en Antwerpen. Het ontwerp is van de Brusselaar Evert Spoorwater, de afwerking werd overgenomen door de architectenfamilie Keldermans.

De kerk werd tegenaan de eerste kerk gebouwd vanaf 1435; in 1437 werden de altaren gewijd. In de kerk deden vanaf 1472 twaalf tot negentien kanunniken (koorheren) dienst. Er waren 23 altaren in 16 kapellen. De Sint-Pauluskapel herbergde sinds 1489 een kostbaar altaarschilderij, een drieluik van Anthonie Janse van der Goude, dat verloren ging. De grote klok was zo zwaar, dat het luiden soms tot in Zierikzee te horen was.

Onvoltooid

De kruisbasiliek in witte arduinsteen bleef echter onvoltooid, terwijl de 52 meter hoge (ingebouwde) toren ruim 100 meter had moeten worden. De ernstige verzakking van de torenvoet zou mede de oorzaak kunnen zijn van deze ‘halvering’. Het transept en de westmuur van de toren kregen als enige wanden glas-in-loodwerk. Op plaatsen waar dat ook had moeten komen, kwamen bakstenen velden met kleine ramen. Van stenen netgewelven die in het middenschip hadden moeten komen, zijn slechts de aanzetten gerealiseerd; de kerk hield een houten plafond.

Grote Kerk met cisterne (waterput) omstreeks 1968. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)Grote Kerk met cisterne (waterput) omstreeks 1968. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)

Rond 1520 stagneerde de bouw definitief. De kerkelijke inkomsten liepen terug, onder meer door het afnemen van de pelgrimages naar Vrouwenpolder waarover de kerk het beheer had. De kerk bezat weinig landerijen en slechts twee van de stadsgilden hadden een financiële binding aan de kerk. In 1560 werd nog wel een twee verdiepingen hoog portaal met een voorstelling van Christus’ geboorte, verrijzenis en hemelvaart van de Gentse beeldhouwer en schrijnwerker Adriaan Roman aangebracht.

Moord en brand

Tijdens de Opstand stak Geuzenaanvoerder De Rollé in de kerk twee van zijn soldaten dood die er op eigen houtje een Beeldenstorm waren begonnen (1572). Na de calvinisering kerkten de gereformeerden in het middenschip. Transept en zijbeuken werden wandelkerk. In de hallenkerk (‘Kleine Kerk’) kerkten Schotten en de ‘Waalse’ gereformeerden en na de Franse Tijd de hervormden (nu PKN). Van de drie hallen werd er in 1834 één gesloopt.

De kerk vanuit het zuidoosten gezien vóór de brand in 1686. (Zeeuws Archief, collectie Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, tekening gewassen in o.i. inkt door L.J. Dhaenens)De kerk vanuit het zuidoosten gezien vóór de brand in 1686. (Zeeuws Archief, collectie Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, tekening gewassen in o.i. inkt door L.J. Dhaenens)

In 1686 ontstond brand tijdens reparatie van het dak. Van de kerk resteerden daarna slechts de muren, terwijl diverse grafzerken waren gebarsten. Bij de – sobere – restauratie keerden de vieringtoren (middenop) en het klokkenspel niet terug; er was nog één luidklok. De lage vierkante torenspits werd vervangen door een nog lagere koepel.

Hospitaal, werkhuis en kazerne

De kerk deelde tijdens de Engelse landing op Walcheren (1809) in de beschieting van Veere vanuit zee. De Engelsen hadden haar vervolgens een half jaar lang in gebruik als kazerne en hospitaal. Er lagen meer dan 300 soldaten in; de ‘Zeeuwse koortsen’, mogelijk een soort malaria, eisten een zware tol. Toen Napoleon in 1811 Veere versterkte, werd de kerk opnieuw paardenstalling en hospitaal (1813-1814). Het interieur, incluis de na de brand nog resterende grafmonumenten en zerken, werd geheel verwijderd. De gotische ramen werden grotendeels dichtgemetseld. In middenschip en transept hadden de Engelsen al vier houten verdiepingsvloeren laten aanbrengen. Meer dan 3.000 Franse soldaten werden verpleegd, van wie er ruim 1.400 overleden.

Torendeur. De ramen verwijzen naar de diverse aangebrachte vloeren. Situatie omstreeks 1968. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)Torendeur. De ramen verwijzen naar de diverse aangebrachte vloeren. Situatie omstreeks 1968. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)

Van oktober 1822 tot 1826 was de kerk in gebruik als provinciaal werkhuis waar bedelaars en zwervers uit heel Zeeland heen werden gestuurd. Zij woonden er en werden aan het spinnen, weven en zadel maken gezet. Vanaf 1832 fungeerde de kerk als hospitaal voor het Nederlandse leger. Een tijdlang was zij ook kazerne: Veere was tot in de jaren 1860 vestingstad. De eigenaar, het Rijk, nam in 1881 ook de toren van de gemeente over en liet een conserverende restauratie uitvoeren die hoognodig was – diverse plannen tot afbraak waren de revue al gepasseerd!

Koeien in de kerk tijdens de inundatie van 1944/1945. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto Sgt. Hardy, oorspronkelijk collectie Imperial War Museum)Koeien in de kerk tijdens de inundatie van 1944/1945. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto Sgt. Hardy, oorspronkelijk collectie Imperial War Museum)

In de eerste helft van de 20ste eeuw fungeerde de Lieve Vrouwekerk onder meer als opslagplaats voor een aannemer en als ruimte om koetsen te stallen. Vanaf het laatste kwart van de eeuw heeft de ‘opgeknapte’ kerk een culturele bestemming.

Literatuur
T. Polderman, Geschiedenis van de Grote Kerk Veere (kort overzicht), Veere 2007.
J.H. Midavaine, Veere. Herinneringen aan een rijk verleden, Veere 1980.
J. Kaljouw, Het provinciaal werkhuis in Veere. Tehuis voor bedelaars, zwervers en vagebonden, Oost-Souburg 1998.
T. Polderman, ‘O welk een gedaanteverwisseling.’ De geschiedenis van de Kleine kerk te Veere, Veere 2006.