Wel bekomme ’t je

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Hoe hoort het eigenlijk aan tafel? Eetgedrag omvat gewoonten die we van jongs af krijgen aangeleerd. Ouders dragen ze over op hun kinderen. In taal liggen talrijke ongeschreven regels en codes besloten over hoe het eigenlijk hoort. De Zeeuwse streektaal bevat dus ook heel wat uitdrukkingen die met eetgedrag te maken hebben.

Discipline

In de afgelopen eeuwen heeft zich in de West-Europese samenleving een ontwikkeling voorgedaan waarbij allerlei voorschriften, zoals het eten met mes en vork en het gebruik van een servet, als maatstaf zijn gaan gelden voor ‘beschaving’. Veel van deze gebruiken, die in de late middeleeuwen in de maatschappelijke elite opkwamen, sijpelden in de eeuwen daarna door naar andere bevolkingslagen.

Kinderen werd geleerd om goed te eten en niet kieskeurig te zijn. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. de Bruine)Kinderen werd geleerd om goed te eten en niet kieskeurig te zijn. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. de Bruine)

Haneneieren en papoenepap

Zelfbeheersing werd gezien als wenselijk gedrag. Dat werd kinderen al jong aangeleerd. Nieuwsgierige kinderen die kwamen vragen wat er gegeten zou worden, werden met pasklare antwoorden bediend. ’t Is brôôd mee brôôd en ’n boter’am d’r tuss’n, dan wel ’n snee pap mee ’n ‘aonenei of papoenepap mee sop van kassieën [kinderkopjes] zullen de hongerige kindermaagjes vermoedelijk niet bij voorbaat hebben gestild. De boodschap? Wacht maar geduldig af tot de potten op tafel staan.

Dierlijk

Teruggedrongen werd vooral datgene wat men als dierlijk beleefde. Lichamelijke verrichtingen werden steeds meer met schaamte omgeven. Eetgedrag werd meer gereguleerd. Schrokkend eten en een boer laten – gedrag dat als dicht bij het lichamelijke werd beleefd – werd als onfatsoenlijk gezien. Iemand die een boer liet, kon als antwoord Moe je soms ’n bord ‘èn? verwachten. Dat gulzig eten werd afgekeurd, zien we in gezegden als ’n paerd de rik [rug] uutfreet’n. Soms is de relatie met het dierlijke heel rechtstreeks. Van iemand die onfatsoenlijk eet, wordt gezegd dat hij freet as ’n bochtvèrken of as ’n koeie, dat ie zit te schoven as ’n vèrke of schranst as ’n kopganze.

Over hoeveelheden en (on)matigheid

De wens tot disciplinering en terughoudendheid zien we ook terug in de talrijke zegswijzen over onmatig eetgedrag. Iemand zò dik as ’n baole is na het eten geheel verzadigd, iemand die vo d’n dam zit, kan zijn eten niet op, iemand die z’n balg ei opgezet heeft veel gegeten en iemand die an d’n iek leit of bij wie de luuken van ’t dek spoele(n) heeft overduidelijk teveel gegeten. Aan de andere kant wordt benadrukt dat iemand goed moet eten om sterk te worden: ’t bin de spiekers die ’t ‘ouwe(n), fluks ete joengkje, dan krieg j’r ’n ribbe bie, dikke stikke stieve rikke en je mò goe:d eten ôôr, anders raek je je bleuskiksjes [blozende wangetjes] kwiet.

Er is nog een andere reden om je niet in te houden met eten. Eten gooi je namelijk als het even kan niet weg. Als een uitnodiging om alles op te eten, mag gelden: Beter d’n buuk (g)eboste(n) az de spies [het eten] bedurreve(n), met andere woorden: je kunt beter te veel eten dan dat er eten overblijft en bederft. Maar iemand moet zijn grenzen kennen: je moe nie uut môôiig’eid ete(n), dat wil zeggen je moet niet tegen heug en meug (doorgaan met) eten.

Smaken verschillen

Aolle bakten en brouwten bin nie êênder. Iedereen zal beamen dat niet alle eten even lekker is. Smaken verschillen bovendien: dat waar de een van smiksmult, is voor een ander gin sieraed. Overigens wordt smiksmulle(n) op sommige plaatsen gebruikt voor met lange tanden eten. Wie iets niet zo lekker vindt, laat dat bij voorkeur niet blijken. Immers, De vèrrekens gae êêder dôôd van ’n legen as van ’n vulen bak en Waer’t naer toe mot ligge ôôk gêên blokjesmatten. Hier spreekt weer het zuinig omgaan met voedsel uit.

Diner in Aardenburg omstreeks 1955. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto O. de Milliano)Diner in Aardenburg omstreeks 1955. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto O. de Milliano)

Te gast

Rond gastvrijheid bestaat eveneens een keur aan Zeeuwse uitdrukkingen. Veel ervan heeft weer te maken met de dosering van de hoeveelheid eten. Een slechte gastheer is degene die zijn gasten te weinig eten aanbiedt. Uitdrukkingen die eraan refereren zijn: je kriegter je bekomst(e) nie en de pap is mè dinne of dunne. Omgekeerd brengt een onverzadigbare gast de gastheer in verlegenheid. Iemand koeter ete(n) wil zeggen dat je iemand arm eet. Ook de gast die eet zoveel hij wilt, maar niets voor zijn gastheer en –vrouw meeneemt, kan rekenen op afkeuring: wel ete mar nie slepe en genoeg ete, nie potte.

Beginnen en eindigen

Eten is een sociaal gebeuren en dat komt tot uiting in gebruiken rond de maaltijd. Bidden en danken zijn een ritueel met een religieuze dimensie en bakenen tegelijkertijd begin en einde van de maaltijd af. Ook het elkaar smaekelik en wel bekomme’t je toewensen, heeft deze functie, al waren zij natuurlijk ook gewoon goedbedoelde heilwensen.

Meer woorden en gezegden over eten en eetgedrag vind je in de Zeeuwse Woordenbank.

Dit verhaal is een bewerkte versie van het artikel dat verscheen in Zeeuws Erfgoed 16 (2017) 4.