Het Zeeuwse murpel en varianten

We hebben er allemaal ooit mee gespeeld, met knikkers. Er zijn grote en kleine knikkers en die hebben alle verschillende namen. De overkoepelende naam is in het Standaardnederlands knikker. In Zeeland wordt die gewone knikker in een vrij groot gebied murpel genoemd. Hier en daar hoor je ook andere varianten, maar waar komt het woord eigenlijk vandaan?

Herkomst

Murpel is een Zeeuwse variant van merbel en marbel. Deze vormen zijn verwant met marmer, dat ontleend is aan het Latijnse marmor. Pas na de middeleeuwen is marmer de gewone vorm geworden. In het Middelnederlands was marber (van het Franse marbre), en ook wel marbel, het gewone woord.
De knikker is dus vernoemd naar het gesteente, namelijk marmer.
Natuurlijk zijn niet alle knikkers gemaakt uit marmer – ze kunnen ook uit ivoor, albast of glas en zelfs uit klei vervaardigd zijn –, maar de meeste Zeeuwse en vele andere dialectwoorden voor de knikker stammen er wel van af, net zoals het Vlaamse maorbel. Dezelfde evolutie zien we in het Frans en in het Engels.
We gaan dus uit van een oorspronkelijke vorm marber. De r en de l zijn klanken die heel gemakkelijk van plaats verwisselen, o.a. als een woord daardoor gemakkelijker uit te spreken is. Een Vlaams voorbeeld is bijvoorbeeld sleutel en sleuter.

Varianten in het Zeeuws

Merbel, dat ook vaak voorkomt in Vlaanderen, is de meest gebruikte variant op Walcheren en in West-Zeeuws-Vlaanderen. Andere vormen met e zijn merpel (waarin de p en de b wisselen) in het Land van Axel, mèbel (waarin de r wegvalt) in Aardenburg en meirble in Philippine. In Vlaanderen wordt maorbel vrij veel gebruikt, een vorm die in Zeeland alleen in Westdorpe is opgetekend.
In de rest van Zeeland horen we de varianten met de u-uitspraak. Murbel of mulber (waarin de l en r omgewisseld worden) in het Land van Hulst en murpel (nog eens de b/p-wisseling) of met invoeging van een sjwa (een doffe e) murrepel op de rest van de Zeeuwse eilanden. Deze vormen zijn te vergelijken met molber en molper op de Zuid-Hollandse eilanden. In Dordrecht is zelfs mulver opgetekend, volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

En andere woorden

Uiteraard bestaan er nog heel wat meer namen voor de knikker. In Westdorpe heet die bijvoorbeeld lavuur, eveneens verwijzend naar de grondstof, in dit geval ivoor. Dat geldt ook voor het West-Vlaamse woord labat, dat verwijst naar albast. En zou de naam kallebas die hier en daar in Zeeland gebruikt wordt voor een albasten knikker niet eerder op albast teruggaan dan op de pompoensoort? Ook de naam kalker ‘een slecht soort knikker van kalk’ verwijst naar het materiaal. Andere namen verwijzen niet naar het materiaal, maar bijvoorbeeld naar de kleur, zoals een witje.

De knikker in de Zuid-Nederlandse dialectenDe knikker in de Zuid-Nederlandse dialecten

Slot

Onder invloed van het Standaardnederlands vergeten we steeds meer specifieke woorden voor verschillende knikkers. Kinderen spelen nu vooral met knikkers en niet meer met murpels. Ook het Zeeuwse dialectwoordenboek schreef in 1964 al dat knikker algemeen voorkwam in Zeeland onder invloed van de schooltaal.

Bronnen
www.etymologiebank.nl
www.zeeuwsewoordenbank.nl
www.wnt.inl.nl
Tier, V. de (2007), Schietebroek in de wei’oek. De benaming voor enkele kinderspelen in de Zeeuwse dialecten. in: V. de Tier, R. Keulen en J. Swanenberg, Het dialectenboek 9. Dialect in het spel.