Het Zeeuwse kuvelesse en varianten

De kuvelesse staat op het bekende Zeeuwse woordplankje van het Museum De Meestoof afgebeeld. Het woord wordt in de Zeeuwse dialecten vooral gebruikt om een dakkapel te benoemen. Het is hier en daar ook wel bekend bij streekdrachten in de betekenis ‘bles van het boerinnenkapsel’. Veel Zeeuwen vragen zich af waar het woord vandaan komt.

De kuvelesse op Het Zeeuwse woordplankje van museum De MeestoofDe kuvelesse op Het Zeeuwse woordplankje van museum De Meestoof

Waar en wat?

In de betekenis van kleine dakkapel of verticaal staand kozijnvenster in het dak is kuvelesse of keuvelesse in Zeeland bekend op de Bevelanden, Tholen, Schouwen-Duiveland en ook op Overflakkee. In West-Zeeuws-Vlaanderen en het Land van Hulst hoor je keuvelette of kuvelette. In de betekenis van ‘bles van het boerinnenkapsel’ is het woord bekend op Zuid-Beveland, Tholen en Goeree.

Herkomst

Kuvelesse kun je beschouwen als een verkleinwoord van keuvel, dat ‘boerinnenmuts’ kan betekenen. Keuvel is bekend in Frans-Vlaanderen waar het ‘bovenkleed, kap’ of ‘schilddak’ betekent. Keuvel wordt in het Middelnederlands al vermeld als covel of cuevel, met de betekenis ‘kap, mantelkap’. Het wordt gebruikt voor allerlei soorten kappen. Sommigen vermoeden dat het verwant is aan het woord kuif. De dak-betekenis is afgeleid van de eerste betekenis ‘kap’. Zowel een kap als een dakkapel staan immers bovenop iets anders, een keuvelesse of kuvelesse is als het ware iets kleins dat vooruitsteekt uit het dak.

De keuvelesse in het Woordenboek der Zeeuwse DialectenDe keuvelesse in het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten

Andere woorden voor de dakkapel

Op de Bevelanden is ook fronspies of franspies bekend en zelfs fronspit. In West-Zeeuws-Vlaanderen en het Land van Axel zegt men frontespie of frontespies, dat ook in het Nederlands als frontispies bekend is. Het is afgeleid van het Latijnse frontispicium, dat ‘gevel, kroonlijst’ betekent. Ook bekend in Zeeland zijn de woorden koekoek of koekuut. Hierin zien etymologen gelijkenissen met het woord koeken dat ‘uitkijken, gluren’ zou betekenen. Je herkent er ook het Duitse gucken ‘kijken’ in.

Bronnen
Steketee, J.J., Zeeuws Idioticon voor Zuid-Beveland, hs. Prov. Bibliotheek van Zeeland.
www.etymologiebank.nl
www.zeeuwsewoordenbank.nl (Woordenboek der Zeeuwse dialecten en het Supplement erop)