Oorlog op zee

in de Eerste Wereldoorlog
verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog strikt genomen neutraal bleef, kwamen Zeeuwen op allerlei manieren in aanraking met oorlogshandelingen en de gevolgen ervan. Onderzeeboten en mijnen leverden gevaar op. En zowel Duitsers als Engelsen vielen vanuit de lucht en op het water Nederlandse schepen aan.

Zeemijnen

Op 14 november 1914 spoelden enkele zeemijnen aan bij Westkapelle. Volgens internationale afspraken moest hierbij het ontstekingsmechanisme automatisch uitschakelen. Twee mijnen werden ontmanteld. Een derde mijn lag op de basaltglooiing. Terwijl enige dorpsbewoners de demontage gadesloegen, ontplofte de mijn en kwamen negen mensen om het leven. De klap was op heel Walcheren te horen.

Mensen van de Noordkant (gemeente Noordwelle) poseren op het strand van Renesse bij een aangespoelde zeemijn, recht voor het zogenaamde Vlaamse diekje (ZB, Beeldbank Zeeland). Van links naar rechts: Jans Hogerland, Pie Strijk-van den Berg, Simon Struijk, dienstmeisje Nellie Struijk en Centina Hogerland met Polly de hond.

Hr. Ms. Triton

Zeemijnen vormden een groot gevaar. In de oorlog gingen 175 vissersvaartuigen ten onder en kwamen 862 bemanningsleden om het leven. Er ontploften mijnen op stranden en dijken. De mijnenveger Hr. Ms. Triton verliet op 19 januari 1915 de haven van Breskens om zelf een mijnenveld te vernieuwen. Als bescherming tegen zowel ongewenste Britse als Duitse scheepvaart legde de Nederlandse marine namelijk zelf mijnenvelden aan in eigen wateren. Een sloep werd te water gelaten om een mijn te controleren en ltz. der tweede klasse Luden boog zich over het explosief heen. Toen deed zich een enorme ontploffing voor. De sloep werd aan stukken geslagen en de vijf bemanningsleden kwamen om het leven.

Bericht over aangespoelde mijnen bij Westkapelle. Middelburgsche Courant, 11 januari 1918, pagina 2 (ZB, Krantenbank Zeeland).

Vissers buiten de route

Datzelfde jaar ging het nogmaals fout toen vijf schepen uit Breskens op woensdag 16 juni 1915 uit vissen gingen. In de monding van de Westerschelde voeren de schepen tot onder Knokke. Op de terugweg namen ze een verboden koers ten zuiden van ondiepten die de Walvischstaart heten. Daar lag een Nederlands mijnenveld dat de toegang tot de Westerschelde moest beschermen tegen indringers. De Breskens 19 voer op een mijn waarna de explosie het schip uit elkaar reet. De vier bemanningsleden werden tientallen meters weggeslingerd en vonden de dood. Pas na 14 dagen waren alle slachtoffers aangespoeld en werden ze begraven. Het incident bleef niet zonder gevolgen. Niet alleen vissers uit Breskens maar ook uit Arnemuiden en Vlissingen moesten zich verantwoorden voor het varen buiten de toegestane routes. Bovendien konden de vissers zo geheime oefeningen van de marine gadeslaan en dat was niet de bedoeling. De officier van justitie eiste 15 gulden boete.

Bericht in de krant over het ongeval met de Bressiaander vissersboot. Goesche Courant, 17 juni 1915, pagina 3 (ZB, Krantenbank Zeeland).

Britse zeemijn bij Westkapelle

Op vrijdag 15 februari 1918 kreeg de vissersboot ARM 16 van Lieven van Belzen tijdens het vissen bij Westkapelle een mijn in het net. De schipper kapte het net en verankerde de mijn. Toen het schip later terugkwam met het stoomloodsvaartuig nr. 14 van de onderzoekdienst Zuiderfrontier, voer de laatste op een andere mijn. Negen doden vielen te betreuren. Het incident had een staartje, want de mijn lag net voorbij de territoriale wateren in de vaargeul, maar bleek Brits te zijn.

Aanvallen op neutrale schepen

Zowel van Engelse als van Duitse zijde werd de Nederlandse scheepvaart aangevallen vanuit de lucht en vanaf het water. Al deze incidenten werden gerapporteerd en de ministeries van Buitenlandse Zaken in Berlijn en Londen werden ter verantwoording geroepen. Telkens met hetzelfde resultaat. Ontkenning van het gebeurde (ten minste tot na de oorlog) of de verklaring dat het schip niet als neutraal vaartuig was te herkennen.

De bemanning van een Engelse duikboot pikt een schipbreukeling op. Tekening uit de Soldaten Courant van 25 februari 1917 (ZB, Krantenbank Zeeland).

Duitse bom op de Cornelis

Het motorschip Cornelis van de reder J.A. van Rompu uit Terneuzen was op donderdag 29 juli 1915 onderweg naar Engeland toen ter hoogte van het lichtschip Schouwenbank een onbekend watervliegtuig opdook. Dit gooide vier bommen richting het schip. Geen daarvan trof doel, maar de explosies waren zo dichtbij dat scherven op het dek terecht kwamen. Een van de brokstukken was herkenbaar door een nummer. Het bleek een Duitse bom. Kapitein van Buuren verklaarde dat zijn schip de Nederlandse vlag voerde, er Nederlandse kleuren op de romp waren geschilderd en de naam met de thuishaven in letters van een halve meter hoog op de romp was geschilderd. Op het moment dat de bommen werden gegooid, werden ogenblikkelijk Nederlandse vlaggen op het dek uitgespreid. Daarop verdween het vliegtuig. Terug op de rede van Vlissingen werd het voorval aan de Koninklijke Marine gemeld. Die protesteerde in Berlijn. Daarvandaan kwam een bekend antwoord. Duitsland betuigde medeleven, maar stelde dat voor de aanval geen herkenbare vlaggen waren gevoerd.

Britten lossen bommenlast

Op 2 oktober 1917 deed zich een incident voor bij de Zeeuwse kust. Een Nederlands bewakingsschip dat voor Cadzand lag, opende het vuur op een onbekende tweedekker. Het vliegtuig bleef rondcirkelen en liet vier bommen los. Vermoedelijk ging het om een Duits vliegtuig dat geacht werd Duinkerken te bombarderen.

Het laatste incident vond plaats op 17 september 1918 toen Britse en Duitse vliegtuigen boven de Oosterschelde in gevecht raakten. Waarschijnlijk probeerden de Duitsers te voorkomen dat de Engelsen een aanval zouden uitvoeren op de Belgische kust. Op het moment van het luchtgevecht was de Verandering (de YE 144 van J. Prins en C. Zweedijk uit Yerseke) op oesters aan het vissen in het Bultegat bij Zierikzee. De vijfkoppige bemanning zag hoe drie bommen naar beneden suisden en ontploften, maar het schip gelukkig niet raakten. Waarschijnlijk wilde in dit geval de Britse vlieger van zijn bommenlast af om beter te kunnen manoeuvreren.

SMZ verliest schepen

De Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ) onderhield vanuit Vlissingen diensten voor passagiers, post en vracht op Queensborough/Sheerness (vanaf 1875) en Folkestone (vanaf 1911). In 1914 beleefde de SMZ een topjaar door de massale overtocht van Belgische vluchtelingen naar Engeland. In 1916 en 1917 verloor de SMZ echter drie schepen: de Prinses Juliana, de Mecklenburg en de Koningin Wilhelmina. Na afkondiging van een onbeperkte duikbootoorlog op 1 februari 1917 – de Duitse keizer verbood na een eerste duikbootoorlog, in juni 1915, het torpederen van neutrale en vijandige passagiersschepen – staakte de SMZ de vaarten.

Tekening met beeldmerk stoomvaart maatschappij Zeeland, 1875 (ZB, Beeldbank Zeeland). De SMZ zou tijdens de oorlog drie van haar schepen verliezen.

Koningin Regentes getorpedeerd

Zowel de visserij als de handelsvaart was doorlopend in gevaar door onderzeeboten, zeemijnen en luchtaanvallen. Vooral de Duitse onderzeeërs maakten geen onderscheid tussen neutralen en oorlogvoerenden. Op 6 juni 1918 torpedeerde de Duitse UB 107 in de omgeving van de Leman Bank in de Noordzee de Rode Kruis stoomraderboot Koningin Regentes van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland. Het was een hospitaalschip dat tussen Groot-Brittannië en Nederland voer voor het uitwisselen van zieke en gewonde krijgsgevangenen. Zeven van de 56 bemanningsleden lieten het leven. Kapitein W. Reedeker verloor bij deze ramp zijn derde schip. Hij was ook de gezagvoerder op de eerder verloren gegane SMZ-schepen Mecklenburg en Koningin Wilhelmina.

Het vertrek van de Koningin Regentes omstreeks 1912 (ZB, Beeldbank Zeeland). In 1918 werd het schip door een Duitse u-boot getorpedeerd.

De UB30 strandt

Op hun tochten naar en van Zeebrugge, waar een duikbootbasis was, passeerden Duitse duikboten de Nederlandse kust. Op 14 januari 1917 werd in het Nederlandse deel van de Wielingen een Duitse duikboot aangehouden, die na onderzoek weer werd vrijgelaten. In de nacht van 22 op 23 februari 1917 liep de Duitse onderzeeboot UB 30 op de Walcherse kust aan de grond. Het schip was in maart 1916 afgebouwd door Blomm & Voss in Hamburg. Het was 37 meter lang en voerde twee lanceerbuizen, een kanon van 8 centimeter en een machinegeweer. De boot stond onder bevel van Oberleutnant zur See Freiherr von Montigny. Deze ging er vanuit dat een ’s nachts waargenomen licht dat van de Schouwenbank was. Hij dacht vandaar op Zeebrugge aan te kunnen koersen.

Een Duitse duikboot maakt zich klaar voor de aanval na het signaleren van een schip. Tekening uit de Soldaten Courant van 16 juli 1915 (ZB, Krantenbank Zeeland).

Opgebracht in Vlissingse haven

Om een Engels mijnenveld te omzeilen koerste Von Montigny daarna in zuidoostelijke richting. Net voordat het licht werd, liep de UB 30 aan de grond tussen Domburg en Westkapelle bij de zogenaamde Trommel. Omdat het afgaand water was, kwam de boot niet meer vlot en de Nederlandse schepen Hr. Ms. Ophir en G6 waren al opgestoomd naar de plaats waar het schip lag. De U-boot werd naar Vlissingen opgebracht. Omdat de overheid van mening was dat de commandant van de U-boot onvoldoende had genavigeerd en zich beter van de lokale omstandigheden op de hoogte had moeten stellen, werd het schip geïnterneerd. De Duitse U-boot lag zondagmiddag in de binnenhaven van Vlissingen waar dit levensgevaarlijke schip veel bekijks trok.

Een Duitse duikboot in de haven. Tekening uit de Soldaten Courant van 20 december 1916 (ZB, Krantenbank Zeeland).

UB 30 vrijgegeven

Ltz. Coster van Hr. Ms O6 bracht het schip via Veere naar Hellevoetsluis. De internering van het schip bracht Nederland bijna op voet van oorlog met Duitsland. Een internationale onderzoekscommissie meende dat de commandant – mede door de mist – niets te verwijten viel. Op 8 augustus 1917 werd de UB 30 weer teruggegeven aan de Duitse bemanning, die het schip naar Zeebrugge voer.