Molenaar

door Jan Zwemer
verhaal Erfgoed Zeeland

Draaiende molens leveren in het landschap een bijzonder beeld op. Ze zijn het domein van de molenaars en er komt heel wat bij kijken wil iemand voldoende opgeleid zijn om een molen te kunnen bedienen. Behalve van techniek moet een molenaar ook verstand hebben van het weer en het is van levensbelang dat hij ook rekening houdt met zaken die de veiligheid betreffen.

Molen De Onderneming in Wissenkerke met links molenaar Rinus Verhage, 1994 (ZB, Beeldbank Zeeland, collectie Rinus Verhage).

Molen De Onderneming in Wissenkerke met links molenaar Rinus Verhage, 1994 (ZB, Beeldbank Zeeland, collectie Rinus Verhage).

Aanvoer van het graan

De klanten van de molenaar brachten het te malen graan over het algemeen op wagens naar de molen, maar het kwam ook voor dat de molenaar het graan ophaalde. Het stond dan in zakken van 50 tot 100 kg gereed op de akker (motormalerij te Waarde, jaren 1950) of de molenaar moest het bij de boer in de schuur opscheppen (Sint-Annaland). De inkomende zakken werden met behulp van het luiwerk naar de stort- of steenzolder getakeld. Op de wagen met zakken beneden stond een man die de zakken aan de luireêp (het luitouw) vastmaakte, dat vervolgens op een as gewonden werd zodat het naar boven ging. Boven stond een man die de zakken losmaakte en neerzette. Het luiwerk werd aangedreven door een sleepkoppeling: de as was bevestigd aan een vlak aandrijfwiel dat tegenaan het spoorwiel liep.

Voor het malen werd de tarwe nog bevochtigd. Op de begane grond werd een hoeveelheid zakken leeggegooid (tien bijvoorbeeld), waarna iemand er met een gieter overheen liep. De volgende dag werd de tarwe weer opgeschept (molen ‘De Pere’, Souburg).

Wieken

Wanneer de molenaar ging malen, smeerde hij de wiekenas van voor en van achter en legde hij de zeilen op de wieken. De hoeveelheid zeilen was afhankelijk van de windsnelheid van het moment. Om de zeilen op de wieken te leggen, klom hij in de wiek en maakte hij de opgerolde zeilen geheel of gedeeltelijk los – wiek voor wiek. Na de zeilen van de eerste wiek gereedgemaakt te hebben, gooide hij de ketting los waarmee de onderste molenroede was vastgemaakt aan een van de palen van de stelling of aan de kruipalen op de molenberg of op de grond. Bij de volgende wieken ging de ketting weer even vast.

Voor het opleggen van de zeilen waren er de volgende varianten: volle zeilen, een half zeiltje (harde wind) en alleen ‘de bovenliene’ (Land van Cadzand) bij storm. Het minderen van zeilen heette in deze regio ‘de zeilen kortn’. In de Zak van Zuid-Beveland waren de benamingen: volle top, het eerste lientje (een duukertje leggen waarbij het buitenste stuk van het zeil teruggeslagen is), halve zeilen of het tweede lientje en het stormzeiltje. Wanneer ook dat verwijderd werd, draaide de molen ‘mee bloôte beênen’. Je kon ook twee ‘duukertjes leggen’ en in Walcheren heetten de mogelijkheden achtereenvolgens: lange halve, halve zeilen, hoge lijn en lientjes (een klein lapje zeil op het hekwerk dichtbij de as).

Molen De Brak, Sluis, circa 1972 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto O. de Milliano).

Molen De Brak, Sluis, circa 1972 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto O. de Milliano).

Wanneer bij storm de molen vastgezet was, werden bovendien de wind- of stormborden uitgetrokken. Ook zonder stormborden kon men de molen laten draaien: ‘mee geknipte naegels’ (Walcheren). Het stormbord is het laatste stuk van de houten plank die aan de andere kant van de roede zit als het hekwerk. Als het heel hard stormde, werd uit voorzorg ook het wiekenkruis wat uit de wind gezet.

In de twintigste eeuw kregen diverse molens een hulpmotor. Vaak dreef zo’n hulpmotor het binnenwerk van de molen aan met behulp van een drijfriem. In dat geval werd een aantal kammen uit het bovenwiel gehaald (zeven bijvoorbeeld) zodat het binnenwerk losgekoppeld was van as en wiekenkruis.

Malen

Vanaf de stortzolder werd de zak graan leeggestort in de trechtervormige kaar en wanneer dan de vang gelicht werd door buiten aan de achterkant van de molen het vangtouw los te maken, begon de molen te malen. In de kaar was een schuifje dat nauwer en wijder gezet kon worden om de toevoer van het graan te regelen – zo kwam het graan in de heen en weer bewegende schuddebak en vandaar via het ‘steêngat’ (kropgat) tussen de molenstenen. De bovenste van de twee stenen draaide rond, de onderste lag stil en tussen beide werd het graan tot meel vermalen.

Tijdens het malen controleerde de molenaar van tijd tot tijd of er genoeg olie in de taatspot was. De taats was de onderste bolle kop van het peerijzer waaromheen de ronddraaiende bovenste molensteen bevestigd was. De taats draaide in een holle taatskom die op de pasbalk zat.

De fijnheidsgraad van het meel werd bepaald door het ‘biestellen’ of ‘biesteken’ van de molenstenen met behulp van de lichter. Wanneer de molen harder (langzamer) ging draaien, ging de schuddebak sneller (langzamer) schudden en viel er meer (minder) graan in het steêngat. Dan moest je de lichter bijstellen: met behulp van de lichtstok (een hefboom) of het lichttouw werd de pasbalk waarop de taatspot rustte naar onder of naar boven bewogen. Het ‘biestellen’ hoefde minder vaak te gebeuren wanneer er een regulateur was aangebracht. De regulateur bediende bij een toe- of afnemende draaisnelheid van molensteen en peerijzer zelf de pasbalk.

Het graan, nu tot meel vermalen, kwam aan de zijkant van de molenstenen tevoorschijn en werd door een ronddraaiend houtje of leertje, het ‘jaegertje’, in de maalpijp geschoven. Uit de pijp viel het meel in een meelbak en vandaar in een zak. De volle zakken moesten van die bak gehaald worden en nieuwe zakken eraan bevestigd. De volle zakken werden gewogen. Bij de meelbak monsterde de molenaar ook steeds de kwaliteit van het meel. Tussendoor hield hij het weer in de gaten.

Verder bediende de molenaar andere apparaten en hulpconstructies, zoals een buul (zeef) en bijvoorbeeld een pletwals die het graan voorkneust of vijzels voor horizontaal graantransport (tweede helft 20ste eeuw). Enkele molens hadden een pelsteen om gort mee te pellen voor gortepap. Had een molen een systeem van zelfzwichting met kantelbare kleppen op de wieken, wat het malen veiliger maakte en meer energie opleverde bij dezelfde windsnelheid, dan vergde ook dat onderhoud. Bij het systeem-Van Riet bijvoorbeeld, moesten de (tien) vetpotten geregeld worden aangedraaid en ook de draden om de drie à vier jaar vervangen. Ook moesten de molenstenen gescherpt worden en werd er voortdurend gecontroleerd of het gaande werk (het binnenwerk dat de stenen aandrijft) geen mankementen vertoonde.

Korenmolen Vogelzicht in Kuitaart met molenaar Wies van Jole, 1977 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto C. de Boer, dagblad De Stem).

Korenmolen Vogelzicht in Kuitaart met molenaar Wies van Jole, 1977 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto C. de Boer, dagblad De Stem).

Kruien en vangen

Wanneer de wind van richting veranderde, werd de molen verkruid met behulp van een kruirad of windrad onderaan de staart. De aan het ondereind van de staart bevestigde ketting werd om een van de kruipalen gelegd en een stuk opgewonden door aan het windrad of kruirad te draaien. Kap met staart en wiekenkruis draaiden dan in de gewenste richting. De staart werd aan de andere kant verankerd met behulp van de tuiketting.

Het stilzetten van de molen werd gedaan met de vang, de reminstallatie die buiten achter de molen bediend werd. Wanneer het vangtouw voorzichtig omlaag werd getrokken, ging de molen steeds langzamer draaien. Zeker bij harde wind was het raadzaam dit door iemand met ervaring te laten doen. Te fors remmen kon leiden tot overbelasting van het maalwerk, waardoor bijvoorbeeld kammen uit het bovenwiel konden breken of erger. Het was zelfs mogelijk dat de hele kap met het wiekenkruis van de molenromp waaide. Als er te veel en te lang wrijving optrad tussen de vang en het bovenwiel waar de vang omheen bevestigd was, kon er daarentegen brand ontstaan. Een goede manier om de molen stil te zetten zonder dat er een terugslag in het maalwerk optreedt, is om ‘een kop lengte terug te halen’ wanneer het wiekenkruis bijna stilstaat.

’s Nachts malen

In de tijd dat er nog geen hulpmotoren beschikbaar waren, werd er ook wel ’s nachts gemalen als compensatie voor windstille perioden. Er waren molenaars die op hun slaapkamer hoorden dat de wind opstak. Te Sint-Annaland werd de molenaar dan wakker geklopt door de nachtwaker die zijn ronde door het dorp maakte. Wanneer het tijdens de nacht windstil werd, deden molenaars wel een dutje in de molen, waarbij ze het luitouw om hun middel of knie vastmaakten. Als de wind dan opstak, werd het luitouw naar boven getrokken en werden ze vanzelf wakker als ze omrolden.

Het meel werd door de molenaar weer in zakken gedaan en teruggebracht naar de boeren. Daarbij mocht er 1 kg verlies zijn ten opzichte van het gewicht aan graan dat was afgehaald of gebracht. Klanten met kleine hoeveelheden kwamen zelf hun graan brengen en het meel afhalen.

Molentaal

Bij een sterfgeval werden molens in de rouw gezet: tot dertig graden verder doorgedraaid (‘gaand’) dan de normale ruststand met één wiek aan de grond. In het Land van Cadzand heette dat ‘schabouw zettn’. Werd de molen daarentegen ‘komend’ gezet, met de wiek vrij kort vóór tot zo’n dertig graden vóór de normale ruststand, dan stond hij in de feeststand. Molens die hun wieken in een kruis hadden staan, waren voor langere tijd in rust, molens die voor kortere tijd in rust stonden, stonden vaak met één wiek recht naar beneden.

Bronnen

E.J. van den Broecke-de Man en A.A. Krijger – Goedegebuure (red), Dialect op Tholen en Sint-Philipsland, Vlissingen ca. 1986, 116-117.
E.J. van den Broecke-de Man en J.A. van Gilst (red.), Dialect op Zuid-Beveland, Vlissingen 1985, 139-142.
L.M. Heyboer, Een vakpraatje uit 1945 (over het scherpen van builstenen), in: De Windmolen, 1985, nr. 43, 46-51.
C. Kasse, Molenaar C. Kasse vertelt, in: De Windmolen, 1984, nr. 37 en 1985, nr. 41.
W. Roose, Zicht op molens, Arnhem 2009, 108-115 over Zeeland.
A.E. van de Voet, J. Gunneweg en W. Roose, Het Nederlands malend korenmolenboek: inventarisatie malende korenmolens met molenaar anno-nu in Nederland, z.p.[Schiedam] z.j. [1996], 104-113 over Zeeland.
J. Wagenaar, De molenaarsloopbaan van Jaap Wagenaar te Waarde, in: De Windmolen, 2001, nr. 103, 2-25.
J. Wagenaar, Zonder kousen naar bed, in: De Windmolen, 1985, nr. 42, 39-41.
De Windmolen. Officieel orgaan van de Vereniging de Zeeuwse Molen (Tholen v.a. 1981), kwartaalblad.
Woordenboek der Zeeuwse dialecten. Supplement, Krabbendijke/Biervliet, 2003, 273-275 en 287-289.
E. van Wijk, Piet Bak, oud-molenaar op de oude molen te Colijnsplaat, in: De Windmolen, 1991, nr. 66, 9-14.
K. Zandberg en M. Dellebeke, Malen in vroeger tijden, in: De Windmolen, 2006, nr. 118, 26-31 en 2007, nr. 122, 34-38.
www.zeeuwsemolens.nl (zie daar de links voor Zeeuwse molens met een eigen site)
Interview met mevrouw N. van der Sluis (Serooskerke, 1922) over haar leven en de molen in Gapinge, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interviews met molenaars te Sint-Maartensdijk en Kuitaart, resp. 1965 en 1981, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interviews met molenaars te Sasput, Serooskerke (W), Zoutelande en Biggekerke, 1990 en 1991, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interviews met molenaars te Meliskerke, Aagtekerke, Oost-Souburg en Westkapelle, 1992 en 1993, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interview met molenaar J. Hoefkens (geb. 1950) te Middelburg, 2001, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interview met molenaar J.M. Wagenaar (1923) te Waarde, 2001, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interview met molenaar P.A. Luteijn (1909) te Sasput, 2001, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interview met molenaar P.J. Landegent (1950) te Burgh-Haamstede, 2001, ZB| Bibliotheek van Zeeland.
Interview met mevrouw Oudenaarde (1911) te Renesse, 2001, ZB| Bibliotheek van Zeeland.

Naschrift redactie: Het ambacht van molenaar is, na eerder al te zijn geplaatst op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed, op 7 december 2017 geplaatst op de Internationale Representatieve Lijst van Immaterieel Cultureel erfgoed van UNESCO.