Rietdekker

Daken van boerenschuren waren vroeger gedekt met stro of riet. Het aanbrengen van zo’n dakbedekking was het vak van de rietdekker. Behalve het volledig opnieuw dekken van een landbouwschuur voerde hij ook reparaties uit.

Rietdekker A. Spruit bij Landlust in Nieuwdorp aan het werk, midden jaren 1960. (ZB, Beeldbank Zeeland)Rietdekker A. Spruit bij Landlust in Nieuwdorp aan het werk, midden jaren 1960. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Riet uit de kreken

In de winter – bij voorkeur als er ijs lag, omdat ze er dan makkelijk bij konden – sneden de rietdekkers het riet aan de randen van kreken. Wat ze tekortkwamen, kochten ze uit Holland of België bij. Veel rietdekkers hadden in het najaar en de winter ook hun bezigheden als slachter, maar in de rest van het jaar verdienden ze de kost met het dekken van daken.

In plaats van het duurdere riet werd voor het dekken van landbouwschuren ook wel gebruik gemaakt van tarwe- of roggestro. Het graan werd dan niet gedorsen maar uitgegeseld op een geselblok of –steen.

Het riet dat hij zelf had gesneden, bewaarde de rietdekker in keurige bosjes in zijn eigen schuur. Voor het dekken van een grote schuur konden wel 1200 bossen nodig zijn. Ging hij eenmaal aan de slag, dan haalde hij allereerst de oude stro- of rietbedekking van het dak en als dat nodig was verving hij kapotte daklatten. Daarna kon het echte werk beginnen.

Herstel rieten dak van een boerderij bij 's-Heerenhoek in 1974. (ZB, Beeldbank Zeeland, collectie Landbouwcentrum)Herstel rieten dak van een boerderij bij ‘s-Heerenhoek in 1974. (ZB, Beeldbank Zeeland, collectie Landbouwcentrum)

Werkwijze

Bij het dekken werkte de rietdekker van beneden naar boven en bracht hij laag voor laag aan met steeds wat langer riet. De bossen werden verticaal op het dak gelegd, de banden eromheen losgesneden en het riet verdeeld over het stuk dat gedekt moest worden. De rietdekker duwde het riet met de hand en een ‘dekkebord’ naar boven, klopte het gelijk en maakte het tenslotte vast. Het riet werd vastgelegd met ‘wissen’ en ‘dekroeden’. Wissen waren wilgentenen banden waarmee de bossen riet werden vastgeknoopt aan de daklatten. Daarvoor werd een grote kromme naald gebruikt. Dekroeden waren enkele meters lange wilgentakken die om de 30 cm op het riet werden gelegd en waaraan de bossen riet eveneens werden vastgemaakt. In het dak werden enkele openingen uitgespaard, waarin glazen raampjes werden aangebracht.

De rietdekker bewoog zich op het dak voort over een ‘dekbalke’, een stevige ronde balk van zo’n vier meter lang. Rond 1930 gingen rietdekkers gebruikmaken van een zogenaamde dekstoel: een laddertje met twee sporten, dat met een grote haak in het dak vastgeprikt werd. De rietdekker kon op zo’n dekstoel zitten of staan. In Zeeuws-Vlaanderen heette zo’n dekstoel ‘paard’. Elders was een ‘paard’ het platte houten kistje waarin de rietdekker zijn materiaal meenam. Dit kistje was voorzien van een voetsteun.

Met moderne middelen een nieuw dak voor 't Hof van Tilburg bij Driewegen, 2004. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Francke)Met moderne middelen een nieuw dak voor ’t Hof van Tilburg bij Driewegen, 2004. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Francke)

Aan het eind van de 19de eeuw verloren stro en riet als dakbedekking van boerenschuren terrein aan dakpannen. Tegelijkertijd raakten villa’s en landhuizen met rieten daken sterk in opkomst, waardoor het ambacht van rietdekker niet verdween. In Zeeland zijn rietdekkers tegenwoordig echter dun gezaaid.

Lees hier de uitvoerige beschrijving van het werk van een rietdekker door Jan Zwemer.