Dorsen

door Jan Zwemer

Dorsen was tot in de twintigste eeuw handwerk. Na de komst van de dorsmachines verdween dit ambacht, al wordt het op sommige plaatsen nog altijd beoefend.

Koolzaad dorsen

Koolzaad werd in juni of juli gesneden en op de akker te drogen gelegd. Na ongeveer een week drogen in de zon, werd het gedorsen met een kleine vlegel, de zaadvlui. Dit gebeurde door een  groep arbeiders en arbeidsters op een groot zeil dat op de kop van de akker lag uitgespreid. Op die plek waren ’s ochtends vroeg, nog voor het optrekken van de dauw, de koolzaadstoppels al uitgetrokken.

Dorsen op Walcheren (ZB, Beeldbank Zeeland, prentbriefkaart).

Dorsen op Walcheren (ZB, Beeldbank Zeeland, prentbriefkaart).

Het dorsen begon zodra de dauw was opgetrokken. De oudste arbeider verdeelde het werk en maakte twee dorsploegen van elk vier dorsers (Land van Cadzand). Zij dorsten met de vierklap of vierslag, dus in een bepaald ritme, en moesten op elkaar ingespeeld zijn. De arbeiders stonden met de gezichten naar elkaar toe, zo’n meter of drie van elkaar af en min of meer twee aan  twee naast elkaar. In de peulhoek, naast het zeil, stapelden andere arbeiders het afvalstro op. Op het zeil haalde een ander het uitgedorsen stro met een grote houten hark, de dosvloerrieve, naar zich toe. Op aangeven van de oudste arbeider losten de dorsploegen elkaar af.

Arbeidsters verzamelden de bossen koolzaad op het veld op een draagzeil van 1,5 bij 2,25 m. Was het zeil goed vol, dan droegen twee arbeiders het naar de dorsplek. Er waren twee draagzeilen in gebruik, zodat er steeds verzameld werd. Aan de lange zijden van het draagzeil waren twee essenhouten draagstokken bevestigd. Het zeil kon dus op de schouders gedragen worden.

Halverwege de ochtend werd wat gedronken en van elf tot een uur was de middagpauze. De boer verschafte eten en drinken in overvloed. Was het weer half-schaft, om kwart over twee, dan werd er bier geschonken. Om half vier bracht iemand van de boerderij koffie en boterhammen met ham. Wanneer al het koolzaad gedorsen was, verscheen de grote knecht met een wagen met twee paarden ervoor. Op de wagen lagen linnen zakken en de graanmaat. De arbeiders vulden de zakken met het gedorsen zaad; vier maten voor een zak en veertien zakken was een last (bij houten wagens). Op de boerderij werden de zakken opgeslagen op de graanzolder. Na afloop volgden een maaltijd en bier, dat feestelijk op de akker werd genuttigd, waarbij gedanst  werd op harmonicamuziek (Land van Cadzand).

Op Walcheren werd op het laatste voer koolzaad een ‘meie’ gezet, een gaffelvormige wilgentak waarvan de einden aan elkaar waren gebonden zodat een ronde ontstond. De zijtakken waren met geel papier omwonden en hier en daar met rood papier en kroontjes bezet. In het midden van de boog hing een fraaie kroon. Twee meisjes hechtten bij de arbeid(st)ers kroontjes op de borst, waarna zij de meie drie keer rond de zaadvloer droegen. De anderen volgden hen, gereedschap op de schouder. Daarna werd voor de boer een gedicht over het koolzaad opgedreund. Na een hoera namen de twee meisjes plaats op het laatste voer koolzaad, met de meie in de hand. Op de boerderij werd de meie aan de boerin gepresenteerd, waarna op de hofstede gegeten werd.

Het uitgedorsen stro werd de volgende dag naar de boerderij gebracht en daar opgeslagen. Het werd gebruikt als stro waarop de dieren in de stal konden staan.

Granen dorsen

Het dorsen van granen werd door de arbeiders, bij kleine bedrijven ook door de boer zelf, gedurende de wintermaanden verricht op de dorsvloer in de (grote) schuur. De dorsvloer was van hout en had een opstaande rand, de puie. Een dorsvloer in de strikte zin van het woord was een gespannen rondliggende houten vloer. De band waarmee de bossen graan vastgemaakt waren, werd er van afgehaald en de bos werd op een (in een houten frame) schuin rechtop staand vierkant stuk hardsteen geslagen, de geselsteen of het geselpaard. Zo kwamen de eerste korrels uit het graan los.

Na dit geselen werd gedorsen met een vlui (vlegel). De vlui bestaat uit twee ronde staven. De een heet de staf en is zo’n 1,5 m lang, 2,5 cm dik en heeft aan het boveneind een knop. Aan die knop zit een leren kap die met een palingvel bevestigd is aan het tweede stuk van de vlui, de gaerde. De gaerde heeft ook een leren kap waarachter het palingvel vastzit. Hij is circa 0,75 m lang en dikker dan de staf, maar afgeplat. De dikke kant is circa 5 cm, de zijkant bijna 3,5 cm. De dorsers staan licht gebukt en slaan de gaerde door een bepaalde beweging met de handen op het graan, dat op de dorsvloer is uitgespreid. Het ritme waarin dat gebeurt, hangt af van het aantal mannen dat dorst: je had de tweêslag en de drieslag. Bij de drieslag stonden de dorsers in een driehoek opgesteld, zo’n 2 m of iets meer van elkaar. Om geen blaren op de handen te krijgen, moet de staf lichtjes vastgehouden worden, zodat hij ronddraait in de handen van de dorser. De houten vloer trilde onder de klappen, zodat het graan onder het stro door naar de zijkanten van de dorsvloer gleed. De gaerde moet plat neerkomen.

Honderd schoven tarwe leverde gemiddeld twee mud tarwe op en het dorsen daarvan was een dag werk. Met een grote houten hark, de dorsvloerrieve, werd het uitgedorsen stro  weggeharkt. Na een bepaalde tijd werden de graankorrels met houten graanschoppen opgeschept en in zakken gedaan. Eens per tien à vijftien dagen dorsen moest er een dag  schoongemaakt worden. Wanneer in het aangenomen werd gewerkt, werd die dag niet betaald.

Oorspronkelijk werd er schoongemaakt met de wan: een grote houten zift, gehanteerd door een man die wijdbeens met zijn rug naar de wind stond en het graan op de zift ronddraaide en opgooide. Vanaf de wan werd het graan in een halvemudsmaat gegooid en in een linnen zak gedaan. Later werd het kaf met een ‘windmolen’ (wanmolen) uit het graan geblazen. Het graan ging tweemaal door de windmolen. De windmolen was een houten constructie die wind opwekte met rondgaande panelen op een horizontale as, aangeslingerd door een handbediende draaier. In een latere versie waren er ook ziften aangebracht.

Bij het schoonmaken van gerst moest er bovendien nog worden ‘gefouterd’. Dan werden de aren uit het graan geslagen. Na de eerste keer dat het graan door de windmolen ging, werd het kaf opgeruimd. Dat ging in de kafput en werd van tijd tot tijd opgevoerd aan de koeien en paarden (zie ook onder het kopje rechtstrodorsmachine). Het geschoonde graan werd in zakken naar de graanzolder gedragen, een ladder op.

Dorsmachines

Het eerste type dorsmachine was de hekeldorsmachine. Deze werd aanvankelijk aangedreven door grote draaiers waar twee man aan moesten draaien. In een eerste versie van de machine moest het graan met de handen worden vastgehouden, terwijl een trommel met kromme haken het graan uit de halmen sloeg. In een latere versie konden de losgesneden schoven er in hun geheel worden ingestoken. Het graan werd geschoond door een combinatie van zeven en een opgebouwde wanmolen met een kafblazer. Ook werd wel gewerkt met een aparte wanmolen (‘windmolen’). De latere hekelmachines werden aangedreven door een rosmolen, oftewel door paardenkracht. Zij stonden meestal in de schuur van de hofstede. Een dorsvloer was niet nodig bij het gebruik van een hekeldorsmachine.

De loonwerker kwam op uitnodiging van de boer naar de hofstede met een hele karavaan: een tractor, een dorsmachine (of ‘dorskas’), een stropers, een kolenkar (bij aandrijving op kolen) en een gereedschapswagen. Het personeel van de loonwerker werkte samen met het personeel van de boer en soms nog met andere losse krachten of het personeel van de buurman. Men dorste buiten of in de schuur. In het laatste geval werd de dorsmachine op de dorsvloer geduwd en de pers erachter gebracht. De tractor werd gebruikt om met een zware drijfriem de dorsmachine aan te drijven. Alles werd uitgelijnd opdat de riemen recht zouden lopen en niet los zouden komen van poelie (snaarwiel) en aandrijfwiel. Om te zorgen dat het geheel niet scheef trok, werd alles op spanblokken opgesteld.

Machinaal dorsen op het hof van Dekker, Grijpskerke, circa 1930 (ZB, Beeldbank Zeeland).

Machinaal dorsen op het hof van Dekker, Grijpskerke, circa 1930 (ZB, Beeldbank Zeeland).

Bij het dorsen in de schuur gooiden twee mannen vanaf de tas schoven naar de machine. Als er buiten gedorsen werd, deden ze dat vanaf de klamp met schoven. Een jongen pakte de  schoven met zijn linkerhand, sneed met de sikkel in zijn rechterhand de band of het touw door die de schoof bijeenhield en gaf de schoof door aan de insteker. De insteker, een personeels- of familielid van de loondorser, stond op de bak voor de trommel en voerde de halmen gelijkmatig de machine in.

Achter de dorsmachine kwam het geschoonde en gezeefde graan door kleppen naar beneden en belandde in diverse aan de kleppen bevestigde zakken: eerste, tweede en derde kwaliteit. De machinist deed het graan daar in zakken en woog ze. Hij trok ook de nog niet volle zakken wat naar boven zodat ze gelijkmatig volliepen. Het was zaak de zakken niet te vol te laten worden. Wanneer tegelijk ook gewogen werd, was er aan de kleppen een extra man nodig, vaak de boer zelf. Bij de bascule, waarmee gewogen werd, stond een reservezak met graan met een vijflitermaat erin. Daarmee werd uit de zak geschept wanneer die over het gewicht was – er werd ook graan mee in een zak geschept als die nog niet aan het gewenste gewicht kwam.

Achter de stropers stond een man die de balen stro oppakte en een of twee mannen borgen vervolgens het stro weg. Tijdens het dorsen werd het gerstekaf met manden naar de kafput of de mestput gedragen. Het werd ’s winters uitgereden over de weiden. Het tarwekaf werd in het kafkot gedaan om later mondjesmaat aan de paarden te worden gevoerd, gemengd met ‘gemoezelde’ (door de mangelmolen gesneden) mangels (Schouwen-Duiveland). De kafput was vaak een half droge sloot die tegelijkertijd als vuilstort werd gebruikt.

Bonen dorsen

Het dorsen van bruine en witte bonen was simpeler werk dan het dorsen van koolzaad of graan. Je kon het desnoods alleen. Dat werd veel gedaan, want ook arbeiders hadden soms een klein lapje bruine bonen voor de handel of voor eigen gebruik. Bonen dorsen kon al naar believen in de buitenlucht of binnen en gebeurde op een zeil of (later) een stuk plastic. De ondergrond was niet zo van belang. Die kon variëren van een veld met niet te lang gras tot een betonnen vloer.

Met een hooivork werden de bonen bij plukken uit de ruiter gehaald en op het uitgespreide zeil in een hoop neergelegd. De hoop kon tot zo’n 40 cm dik zijn. Wie alleen dorste, kon beginnen met enkele vierkante meters bonen op het zeil. Bij het bonen dorsen was ritme niet zo belangrijk, alleen was het, net als bij graan dorsen, van belang om de gaerde plat te laten neerkomen. Er werd een zelfde soort vlui gebruikt als bij het dorsen van granen. Normaal gesproken kwam de dorser wel in een soort ritme. Wie alleen dorste, kon van plaats wisselen of zelfs, als er daarvoor ruimte was, een ronde draaien rondom de hoop bonen. Na een tijd intensief dorsen, waarbij de losgeraakte boontjes langzaam naar beneden zakten in de hoop boonstro, schudde de dorser met de hooivork de hoop op en keerde ze desnoods om. Alle delen van de stapel moesten immers aan bod komen. Dan volgde weer intensief dorsen en dan weer eens opschudden enzovoort, tot de dorser de indruk had dat de meeste bonen op het zeil lagen. Dan werd met de dosvloerrieve of met de hand het boonstro weggehaald. De boontjes werden dan opgeschept en in een emmer gedaan. Eventueel door het zeil of het stuk plastic op te pakken en het boven de emmer leeg te schudden. Het boonstro werd meestal verbrand.

Erwten dorsen met de vlui, gebroeders Berrevoets, onder Zierikzee (ZB, Beeldbank Zeeland).

Erwten dorsen met de vlui, gebroeders Berrevoets, onder Zierikzee (ZB, Beeldbank Zeeland).

Het zuiveren van de bonen van stukken blad, stof, stukken stengel en stukken peul gebeurde door ze ‘door de wind te gooien’. Dat kon dus alleen wanneer er een briesje stond. Er werd een lege emmer (liefst een wijde) op de grond gezet en de emmer met boontjes werd er langzaam boven uitgekiept. De bonen kwamen in de onderste emmer, het afval werd door de wind meegevoerd. Deze bewerking werd talloze malen herhaald, van de ene emmer in de andere, tot de boontjes schoon genoeg waren naar het oordeel van de persoon in kwestie.

Bronnen

J. Brasser, Dorsboek, leugenboek. Loondorsen op Walcheren in de jaren dertig en veertig, in: De Wete. Orgaan van de Heemkundige kring Walcheren, 1998, nr. 3, 3-8.
B.J. de Meij, Serooskerke (Walcheren), zijn burgerlijke en kerkelijke geschiedenis, Middelburg, 1918, 138-141 (koolzaad dorsen).
G. van de Velde, Koolzaad dorsen in het Land van Cadzand omstreeks 1900, in: Mededelingenblad Heemkundige kring West-Zeeuws-Vlaanderen, 2001, nr. 126, 7-9.
A. de Vin, A.F. van de Zande-Vleugels Schutter en B. Oele, Dialect op Schouwen-Duiveland in de tweede helft van de twintigste eeuw, Biervliet, 1998, 221-223.
Woordenboek der Zeeuwse dialecten. Supplement, Biervliet/Krabbendijke 2003, 370-372 (dorsmachine).
Interview met loondorser J. Brasser, 1993, collectie ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland.
Interview met loondorsers K. en A. Steijns (geb. 1916 en 1922), 2002, collectie ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland.