Dorsen

Dorsen behoort tot de oude landbouwtechnieken die tot in de 20ste eeuw handwerk waren en daarna door machines werden uitgevoerd. Koolzaad, granen en bonen werden elk met een eigen methode en aparte gereedschappen gedorsen.

Koolzaad

Met koolzaad gebeurde dat op het veld. Het koolzaad werd op de akker gesneden en te drogen gelegd. Zo’n week later begon – zodra de dauw was opgetrokken – het dorsen. Dat gebeurde in ploegen. De dorsers moesten goed op elkaar zijn ingespeeld.

Erwten dorsen met de vlui door de gebroeders Berrevoets, onder Zierikzee. (ZB, Beeldbank Zeeland)Erwten dorsen met de vlui door de gebroeders Berrevoets, onder Zierikzee. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Graan en bonen

Graan werd ’s winters gedorsen op de houten dorsvloer in de schuur. Ook dat was een intensief karwei. Het graan werd eerst gegeseld, waarmee de eerste graankorrels loskwamen. Daarna volgde het dorsen met de vlui (vlegel). De graankorrels lieten door het slaan met de vlegel los en gleden onder het stro naar de zijkanten van de dorsvloer. Ze werden opgeschept en in zakken gedaan. Eén keer in de 10 tot 15 dagen werden de graankorrels ontdaan van het kaf en in linnen zakken gegoten. Het dorsen van bonen was een stuk eenvoudiger dan het dorsen van koolzaad en graan. Iemand kon het desnoods alleen doen.

Machines

In de loop van de 20ste eeuw deden dorsmachines hun intrede. Ze vervingen met name het handmatig dorsen van graan. De aanschaf ervan was een grote investering en voor een individuele boer niet op te brengen. Vandaar dat er speciale loonwerkers kwamen die dergelijke machines aanschaften en met een heel arsenaal tegen betaling de verschillende boeren bedienden. Behalve de dorsmachine was een tractor nodig, een stropers, een kolenkar (als de machines op kolen werden aangedreven) en een wagen met gereedschap. De loonwerker nam eigen personeel mee, dat samenwerkte met de arbeiders van de boer.

Tradities

Tijdens de werkzaamheden werd er flink gegeten en gedronken. Dat moest ook wel, want het was zwaar werk en de arbeid(st)ers begonnen al vroeg. Het eten en drinken voor de werkers in het veld werd op de boerderij klaargemaakt door de boerin en vrouwelijk personeel. Als het laatste voer de schuur was binnengereden, trakteerde de boer op een maaltijd met bier of iets sterkers. Op Walcheren werd op het laatste voer koolzaad de ‘meie’ gezet, een versierde wilgentak met een kroon, die drie keer rond de zaadvloer werd gedragen en bij aankomst op de boerderij aan de boerin werd gegeven. Met het voortschrijden van de mechanisatie raakten dit soort tradities in onbruik.

Lees hier de uitvoerige beschrijving van het dorsen door Jan Zwemer.