Malen in Zeeland

De oudste molens in Zeeland werden aangedreven door mens en dier. Later ging men gebruik maken van andere aandrijfkrachten: water en wind.

Hand- en rosmolens

De oudste molentypen in Zeeland werden aangedreven door mens en dier. Het zijn de zogenaamde hand- en rosmolens. Bij de handmolen kan de mens door het maken van een draaiende beweging stenen over elkaar bewegen die een grondstof (overwegend graan tot meel) vermalen.

Ligger of onderste steen van handmolen. Bodemvondst Middelburg (Beeldbank Erfgoed Zeeland). De doorsnede is 33,5 cm. Duidelijk te zien is het gat waardoor het fijngemalen graan de molen verlaat.

Getijdenmolens

De eerste aanwijzing dat in Zeeland een molen werd gebruikt die werkt met waterkracht dateert uit het jaar 1220. Het gaat om een molen in Zierikzee die werkte op de kracht van eb en vloed, een getijdenmolen. Mogelijk kwam dit type molen al vanaf de 10de eeuw in Zeeland voor. Bij een getijdenmolen (of getijmolen) ving men het water bij vloed op in een waterbassin (spuikom). Tijdens eb liet men het water uit deze spuikom langs een waterrad stromen. Tweemaal daags kon men zo de molen laten draaien. Later in de 13de en in de 14de eeuw waren er vele getijdenmolens in gebruik.

Malen en schuren

De door waterkracht opgewekte energie gebruikte men voornamelijk voor het malen van granen. Het sluizensysteem bij getijdenmolens speelde vaak nog een andere rol. Het water uit de spuikom dat bij eb werd gebruikt om de molen te laten draaien, zorgde ook voor het schuren (en dus op diepte en schoon houden) van de haven. Vanaf de 15de eeuw nam hun aantal weer af omdat ze de concurrentie met een ander type molen, namelijk de windmolen, verloren.

Voordelen van getijdenmolens waren dat de vorst in de winter niet zo veel invloed heeft omdat het water zout is en dat men niet afhankelijk was van de wind. Als nadelen golden de beperkte periode die men kan malen (een paar uur) en dat eb en vloed telkens verschuiven in de tijd.

In Goes en Middelburg bleven getijdenmolens het langst in gebruik, namelijk tot in de 19de eeuw.

Windmolens

In Zeeland komt het eerste bewijs voor het gebruik van een molen met wieken, een windmolen, uit een archiefstuk van 1221. De molen stond in het (eind 16de eeuw verdronken) dorp Willemskerke (tussen Hoek en Terneuzen) in Zeeuws-Vlaanderen. Verdere vermeldingen van windmolens uit de periode tot de 14de eeuw zijn zeldzaam. Uit archieven blijkt dat het aantal daarna flink toenam.

Windmolen bij Grijpskerke met op voorgrond mensen in streekdracht bij een hondenkar. Prentbriefkaart circa 1910 (ZB, Beeldbank Zeeland).

In de loop der tijd ontwikkelden zich verschillende typen windmolens. Deze kwamen met name voort uit de verfijning van technieken. Ook de beschikbaarheid van materialen, de standplaats en het te verwerken product speelden hierbij een rol. De volgende typen windmolens werden in Zeeland gebruikt: standerdmolen, wipmolen, paltrokmolen, bovenkruier en aanbrengertjes. Enkele van deze typen zijn sinds kortere of langere tijd verdwenen uit het landschap.

Molen ‘Nooit Gedacht’ in Arnemuiden, bouwjaar 1981 (ZB, Beeldbank Zeeland).

Gebruik van molens

Windmolens werden gebruikt bij de verwerking of productie van allerlei grondstoffen. De voornaamste van deze producten, gedurende lange tijd met behulp van Zeeuwse windmolens gemaakt, zijn:
meel (malen van granen zoals koren – korenmolen)
olie (stukslaan van oliehoudende zaden als raapzaad, koolzaad en lijnzaad – oliemolen)
gort (pellen van gerst tot gort – pelmolen)
planken (zagen van hout – houtzaagmolen)
chocolade (malen van cacaobonen – chocolademolen)
snuiftabak (fijnhakken en malen van tabak – snuifmolen)
looizuur (bestanddeel van water en fijngemalen eikenschors – schorsmolen)

Veld met koolzaad, 1964 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen).

Molenrecht

Getijmolens en windmolens vervulden van oudsher een belangrijke rol in de economie. Ze vormden een kostbaar bezit. Molens waren met name belangrijk voor de productie van levensmiddelen. De controle over molens in een regio lag dan ook bijna altijd bij de machthebbers. Als ze de molens al niet zelf in eigendom hadden, zorgden ze voor speciale regels of wetten. Hiermee werd precies bepaald wie een molen mocht bouwen of beheren en wat wel of niet mocht met een molen. Een machthebber of heer van een bepaalde regio verleende hiervoor het molenrecht (ook wel maalrecht of windregaal genoemd). Pas eind 18de eeuw werd het molenrecht afgeschaft. Vanaf dat moment was het ‘molenbedrijf’ een vrij beroep.

Molens op de kaart van Zierikzee van J. Blaeu uit 1649.

Overgang

De bouw van traditionele windmolens ging door tot in de 20ste eeuw. Het hoogtepunt voor wat betreft het aantal molens in Zeeland lag rond 1880-1890. Zeeland telde op dat moment 185 molens, waaronder 180 korenmolens, 2 oliemolens, 2 poldermolens en een houtzaagmolen.

Vanaf het eind van de 19de eeuw nam het aantal molens echter zienderogen af. Met het toenemende gebruik van andere brandstoffen en geavanceerde machines waren deze windmolens vaak niet meer (economisch) rendabel. Op het ogenblik zijn er nog ruim 70 draaiende molens in Zeeland. De oudste hiervan dateert uit de 16de eeuw, de jongste uit de 20ste.

Dat een molen meerdere van deze producten maakte, kwam herhaaldelijk voor. Bovendien gebruikte men windmolens voor het bemalen van het laaggelegen land. In de 19de eeuw ontwikkelde men voor dit laatste doel de zogenaamde aanbrengertjes: kleine onbemande windmolentjes.

Literatuur
M. van Hoogstraten, De molens van Zeeland, Middelburg 1972.
Frans Weemaes, Molens in Zeeland, gefotografeerd en per regio beschreven, Goes 2003.
E. van Wijk, Molens in Veere; zeven eeuwen molengeschiedenis, z.p. 1993.
E. van Wijk, Molens in Middelburg; geschiedenis der plaatselijke molens in de loop der eeuwen, Alphen aan den Rijn 1985.
E. van Wijk, Bewogen van eb en vloed: getijmolens, in het bijzonder die van Middelburg, Goes 1995.