Wagenmakerij

De bouw van een menwagen of verenwagen, die vroeger bij de boeren in gebruik waren, was een fors karwei waar veel bij kwam kijken. Met het maken van de wielen, de onder- en bovenbouw en de bijbehorende losse onderdelen was een ervaren wagenmaker 36 dagen bezig. Daarbij had hij soms ook nog hulp nodig, onder andere van een smid. Een wagenmakerij lag in elk dorp dan ook dichtbij de smederij.

Wagenmakerij Van de Weele, Scherpenisse, circa 1920. (ZB, Beeldbank Zeeland)Wagenmakerij Van de Weele, Scherpenisse, circa 1920. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Menwagens en verenwagens, die boeren gebruikten voor respectievelijk het werk op het land en het vervoer van personen, vervaardigde de wagenmaker op bestelling. Kleinere gebruiksvoorwerpen, zoals dorsvlegels, spadestelen, graanschoppen en eggen waren bij de wagenmaker op voorraad te verkrijgen.

Een menwagen, ook wel boerenwagen genoemd, werd opgebouwd uit verschillende onderdelen: de wielen, de onderbouw, de bovenbouw en een aantal losse onderdelen. De wielen bestaan uit een ‘busse’ (naaf), spaken, velgdelen en drevels (pinnen). De spaken werden gemaakt uit eiken stammetjes. Een voorwiel telt er 10, een achterwiel, dat groter is, 12. De wagenmaker maakte de spaken op de juiste dikte en sloeg ze vervolgens met een zware hamer in de busse, waarin hij de gaten al had geboord. Dit gebeurde in de spaakpit, een put in de werkplaats, waarin de busse in het midden was vastgezet. Vervolgens werden de velgdelen en drevels bevestigd. De smid bracht een ijzeren band om het wiel aan, zodat het niet uit elkaar viel.

Tekening van een Duivelandse boerenwagen. (ZB, Beeldbank Zeeland)Tekening van een Duivelandse boerenwagen. (ZB, Beeldbank Zeeland)

De assen van de wagen lopen door de asblokken, die uit olmenhout werden vervaardigd. Op het asblok van het voorstel rust de houten draaiplaat en daarop een houten ‘rondeblok’. Deze werd er niet aan vastgemaakt omdat het onderstel moet kunnen draaien. Tussen de draaiplaat en de asblok kwamen horizontaal de twee kromme voorarmen van de wagen te liggen. Daartussen werd de disselboom bevestigd, die voor de wagen uitstak. Aan elke kant van de disselboom zou straks een paard kunnen lopen. Het achterstel heeft geen draaiplaat, daar rust de rondeblok rechtstreeks op de asblok. Het voorstel en achterstel van de menwagen worden door een grote balk (‘lankwaegen’) met elkaar verbonden.

De wagenbak, die uitneembaar is, bestaat uit een bodemplank, waarop lange planken werden gespijkerd, twee zijschotten, twee tronkladders, zodat de wagen nog hoger geladen kon worden, en het achterbord. Verder vervaardigde de wagenmaker bij de menwagen nog een aantal losse houten onderdelen, die bij het vervoer van de landbouwproducten dienst deden, en de hoepels voor de afneembare huif. De verenwagen, ook wel huifwagen genoemd en bij de boeren in gebruik voor het vervoer van personen, werd op eenzelfde wijze gebouwd als de menwagen. De wagenbak van de verenwagen is echter niet uitneembaar en de verenwagen is ook wat lichter dan de menwagen.

Lees hier de uitvoerige beschrijving van het wagenmakersbedrijf door Jan Zwemer.