Het Zeeuwse trekpaard

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Zo’n honderd jaar geleden imponeerden ze op het Zeeuwse platteland: de zware trekpaarden, destijds door boeren gebruikt bij werkzaamheden op het land. De paarden zijn van een betrekkelijk jong ras, dat zich ontwikkelde na fokkerij met paarden uit België. Vanuit Zeeuws-Vlaanderen, waar de boeren het eerst met deze paarden gingen werken, verspreidde het nieuwe trekpaardenras zich over heel Zeeland. De glorietijd in de landbouw duurde maar kort: midden 20ste eeuw stapten veel boeren over op tractoren. Nu werkt een enkele boer nog met het Zeeuwse trekpaard en zijn ze verder vooral geliefd bij hobbyhouders. Bij het ringrijden en de straô zijn de dieren immer van de partij.

Oogstdemonstratie met Zeeuwse trekpaarden. (Beeldbank SCEZ, foto Rob Imanse)Oogstdemonstratie met Zeeuwse trekpaarden. (Beeldbank SCEZ, foto Rob Imanse)

Van Vlaamse origine

De zware paarden die nu bekend staan als ‘Zeeuwse’ trekpaarden werden pas vanaf het eind van de 19de eeuw gefokt. Het ras komt oorspronkelijk uit Vlaanderen. Midden 19de eeuw telde Zeeland veel paarden, maar die waren minder geschikt voor het zware werk op de Zeeuwse kleigronden. In Zeeuws-Vlaanderen gingen fokkers als eerste meer gebruikmaken van Vlaamse koudbloed hengsten. Die waren vaak afkomstig van net over de Belgische grens. Ze gaven een beter fokresultaat. Het Belgische trekpaardenras dat in de 19de eeuw was ontstaan, maakte in die tijd internationaal furore. In Europa was de vraag naar goede paarden groot. Ze waren nodig in de landbouw, voor het vervoer in de handel en industrie en voor sleperswerk in de havens.

In Zeeland kwam de paardenfokkerij eind 19de eeuw goed op gang toen men besefte dat behalve hengsten ook merries uit België moesten worden ingevoerd om tot goede fokresultaten te komen. De landelijke en provinciale overheid stimuleerde de verbetering van het paardenras. Een belangrijke rol was weggelegd voor tentoonstellingen en het paardenstamboek. Een extra impuls leverde de Eerste Wereldoorlog, toen tal van Belgische paardenhouders naar Zeeland vluchtten en hun eersteklas dekhengsten meenamen.

Landbouwtentoonstelling ZLM in Aardenburg, 1959. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto O. de Milliano)Landbouwtentoonstelling ZLM in Aardenburg, 1959. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto O. de Milliano)

Koudbloed

Het begrip ‘koudbloedig’ verwijst naar de zware bouw en het rustige temperament van de paarden. Dat maakt ze heel geschikt voor het werk in de landbouw. In de beginjaren keek menigeen nog met terughoudendheid naar de “plompe, trage” dieren, maar allengs won de waardering voor deze paarden terrein. Er kwam in Zeeland een eigen stamboek voor het ‘Zeeuws Belgisch Trekpaard’ (1904), in 1914 gevolgd door het ‘Stamboek voor het Nederlands trekpaard (Belgisch type)’ voor heel Nederland, waaraan Zeeland een grote bijdrage leverde. Vooral uit Zeeuws-Vlaanderen kwamen veel hengsten.

Met het fokken van raszuivere paarden kon in die beginjaren veel geld worden verdiend. Maar in de jaren twintig raakte de markt overvoerd en daalden de prijzen. Daarna herstelde de paardenmarkt zich weer enigszins en in de Tweede Wereldoorlog nam de vraag naar paarden toe. De kwaliteit bleef een stijgende lijn vertonen. Op tentoonstellingen wonnen de Zeeuwse trekpaarden veel prijzen. Kampioen worden op een paardenkeuring strekte tot grote eer.

Paardenmarkt in Goes, 1962. (ZB, Beeldbank Zeeland, fotoarchief PZC)Paardenmarkt in Goes, 1962. (ZB, Beeldbank Zeeland, fotoarchief PZC)

Werk

De paarden werden ingezet voor alle voorkomende werkzaamheden op het land. In het voorjaar moest de grond zaaiklaar worden gemaakt door met een ‘sleepbord’ de kluiten te breken en vervolgens te eggen. Daarna kon worden gezaaid. In deze periode (van begin maart tot begin juni) kregen de merries ook hun veulens. De oogst in juli en augustus bracht veel en zwaar werk met zich mee. De paarden reden grote wagens hooi, graan en vlas van het land en trokken de ploeg of eg waarmee het land daarna bewerkt moest worden. In september volgde de aardappeloogst en in oktober de oogst van de suiker- en voederbieten. En ook dat land werd vervolgens geploegd om het winterklaar te maken. Zeker als de grond nat was, vergde dit veel kracht van de paarden. In december vingen dan weer een paar rustigere maanden aan.

Landbouwer in Waarde aan het werk met zijn trekpaarden, 1979. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. Phernambucq)Landbouwer in Waarde aan het werk met zijn trekpaarden, 1979. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. Phernambucq)

Paardenkrachten en tractoren

Toen in de jaren vijftig de tractor aan zijn opmars begon – eerst voorzichtig, later in rap tempo – was het binnen niet al te lange tijd gedaan met de inzet van paarden op het landbouwbedrijf. In agrarische kringen werd al langer gediscussieerd over de voor- en nadelen van deze ontwikkeling.

Trekpaarden werden ook ingezet voor het slepen van schepen met bijvoorbeeld suikerbieten. Op de foto de 'Bietentocht'; in 2010. (Beeldbank SCEZ)Trekpaarden werden ook ingezet voor het slepen van schepen met bijvoorbeeld suikerbieten. Op de foto de ‘Bietentocht’; in 2010. (Beeldbank SCEZ)

Een enkele boer gebruikt de paarden nu nog als trekkracht op het bedrijf. Ook worden de dieren uit liefhebberij gehouden. En de geweldenaars verschijnen nog steeds ten tonele bij het ringrijden en de straô, twee tradities die in Zeeland springlevend zijn. De Stichting Het Werkend Trekpaard onderkent de cultuurhistorische waarde van de trekpaarden en zet zich in voor het behoud van deze natuurlijke krachtbron in de landbouw.

Literatuur
Jan Bruijns, Trekpaarden in Zeeland; opkomst en ondergang van het Belgische trekpaard in de Zeeuwse landbouw, Goes 1999.
Website van de Stichting Het Werkend Trekpaard.