Het Zeeuwse ruzebuzig en varianten

Ruzebuzig wordt in allerlei contexten gebruikt om aan te tonen dat iets ruw of rumoerig is. Niet alleen het weer kan ruzebuzig zijn (onstuimig, ruw, wild), maar ook kinderen (rumoerig, druk) zijn het wel eens. Naast ruzebuzig horen we ook ruizemuizig en roezeboezig.

Waar in Zeeland?

Ruzebuzig wordt gebruikt op Walcheren, Zuid- en Noord-Beveland, Tholen en Philipsland en op Duiveland. De vorm met oe (roezeboezig) is opgetekend in Sint-Annaland, Dreischor, Burgh en Haamstede. Het land van Hulst ken de -uu- niet en zegt ruizemuizig. Koewacht gebruikt het eenvoudigere ruizig.

Ruzebuzig

Herkomst

In het Middelnederlands bestond het werkwoord ruysmuysen dat ‘lawaai maken’ betekende. Het gaat terug op roezen met dezelfde betekenis ‘lawaai maken, razen, tieren’.  Een b en een m (en ook een w) kunnen gemakkelijk wisselen in de taal. Zo kon dus ruzebuzen ontstaan, met het daarbij gebruikelijke bijvoeglijk naamwoord ruzebuzig, net als de andere varianten uit hun respectievelijke werkwoorden. Het werkwoord is een samenstelling van ruuschen ‘lawaai maken, bruisen, ruisen’ en buuschen ‘kloppen’.  Ruzebuzig, ruizemuizig of roezeboezig zijn dus rijmsamenstellingen. De verschillende Zeeuwse vormen zijn vrij gemakkelijk te verklaren. De oorspronkelijke oe-vorm halen we nog uit het oudere roezen, de uu- en ui-vormen hebben we overgehouden uit ruysmuysen. Een b en een m (en ook een w) – allemaal lipklanken – kunnen gemakkelijk wisselen (denk aan het bekende Zeeuwse bel, bel in plaats van wel, wel). Op die manier ontstond dus ruzebuzig naast ruzemuzig. Het Nederlandse ruzie en het ruisen van het riet hebben dezelfde herkomst.

Foto Ben Biondina voor DNA Beeldbank Laat Zeeland Zien

Enkele andere woorden voor ‘onstuimig’

In de Zeeuwse dialecten bestaan nog heel veel andere woorden om ‘onstuimig’ te benoemen. Wat het weer betreft hoor je ruug en roeë, ievallig, robuustig of schoef en heel zelden kuun. Ook boog en schurdig zijn opgetekend in deze betekenis in het Zeeuwse woordenboek.
Ruig
(meestal uitgesproken als ruug) gaat terug op een heel oud woord en is in verwante vormen bekend in allerlei andere talen. Je herkent het bijvoorbeeld in het Engelse rough. Het Zeeuwse roeë is te verklaren uit een verbogen vorm van ruug, nl. ruuge waar de –g- uit wegviel. In de standaardtaal werd dat hiaat opgevuld door de w, waardoor ruw kon ontstaan.
Schoef is een variant van schuw. De oe-klank is net zoals in roezeboezig en roeg, roeë niet klankwettig. De vervanging van de w in een f zien we ook in het West-Vlaamse gelf dat van geluw ‘geel’ komt en in het Zeeuwse schelf ‘schelf’ dat van scheluw komt.
Robuustig is afgeleid van robuust ‘krachtig’. De herkomst van dit woord is te vinden in het Latijnse robustus dat ‘van eikenhout, stevig, krachtig’ betekent. Bij guur en onstuimig weer denken we dan in de eerste plaats aan krachtige wind.
Kuin (in het Zeeuws dus kuun) werd in de betekenis van onstuimige zee opgetekend door Steketee (die een woordenboekje schreef over Zuid-Beveland). Het woord is blijkbaar niet zo bekend, want het werd niet meer opgegeven door Zeeuwse informanten en is in het WZD niet te vinden. Bredero gebruikte het wel in zijn Boeren Geselschap: sen hoedt met bloemfluwiel die sat hem vry wat kuyn. Het woord gaat blijkbaar terug op het Friese kein. De betekenis ‘onstuimig’ die Steketee geeft, is nergens teruggevonden, maar zal zich uit de betekenis ‘zwierig’ en ‘onvast’ hebben ontwikkeld.
Boog of boag is volgens Debrabandere de dialectische uitspraak van wat in het Nederlands buiig is.
Ook schurdig en schurtig betekenen in het Zeeuws en ook in de Vlaamse dialecten ‘onstuimig, stormachtig’. Het is een afleiding van schurde, dat zelf een afleiding is van schor ‘steil, ruw, ruig’ met het achtervoegsel -ede. Dit achtervoegsel is typisch voor de kustdialecten.
Ievallig (en vaak ook nievallig) betekent niet echt ‘onstuimig’, maar wel ‘guur en koud’. Debrabandere denkt dat de oorsprong van dit woord te zoeken is bij een vorm oenvallig, die in het Middelnederlands onvallich of ongevallich, met de betekenis ‘rampspoedig, ellendig, zwak, lelijk’. Ievallig betekent in het Zeeuws niet alleen ‘guur, nat, koud’, maar ook ‘armoedig, haveloos’ of ‘koortsig, rillerig’.

Bronnen
Debrabandere, F. (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek.
Steketee, J.J., Zeeuws Idioticon voor Zuid-Beveland, hs. Prov. Bibliotheek van Zeeland.
www.etymologiebank.nl
www.wnt.inl.nl
www.zeeuwsewoordenbank.nl (Woordenboek der Zeeuwse dialecten en het Supplement erop)