De Zeeuwse streekdrachten

Vraag iemand die niet in Zeeland woont waar ze aan denken bij de provincie en ze komen (na zee en strand) vaak al snel op klederdracht uit. Toch wordt het straatbeeld in Zeeland al lang niet meer bepaald door mensen in dracht. Maar de Zeeuwse streekdracht is wel goed bewaard en komt bij speciale gelegenheden (ringrijden, sjezen rijden en straô bijvoorbeeld) nog wel uit de kast. De kleding is niet meer op straat, maar nog wel in de harten van veel Zeeuwen.

Achttiende eeuw

Eind achttiende eeuw droegen mannen en vrouwen op het Zeeuwse platteland een zelfde soort burgerkostuum. Vrouwen droegen een jak, beuk (borst- en ruglap) en doek en meerdere rokken over elkaar. Over de bovenste rok ging een schort. Ook droegen ze altijd een witte onder- en bovenmuts. Buiten droegen ze daar bovenop een grote strohoed. Mannen gingen gekleed in kniebroek en een hemdrok, soms met een vest eroverheen. Om de nek droegen ze een halsdoek en buiten bovendien een jas en hoed.

Zestien verschillende streekdrachten

Begin negentiende eeuw ontstonden er regionale verschillen in de kleding van de plattelandsbevolking. Uiteindelijk telde Zeeland maar liefst zestien verschillende streekdrachten. Zo is er bijvoorbeeld een groot verschil tussen de dracht van Schouwen-Duiveland waar sierlijke sluiermutsen werden gedragen, het Land van Axel met opvallend hoge doeken voor de dames en het Land van Cadzand waar de dames met kant versierde witte karkasmutsen droegen. Binnen één gebied waren er dan soms nog varianten per dorp of beroepsgroep, kerkelijke gezindte of zelfs huwelijkse staat.

Vrouwen in verschillende Zeeuwse drachten, getoond aan koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma, ter gelegenheid van hun bezoek aan Zeeland op 21 augustus 1894 (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland, Beeldbank Schouwen-Duiveland, E. Helder).

Vrouwen in verschillende Zeeuwse drachten, getoond aan koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma, ter gelegenheid van hun bezoek aan Zeeland op 21 augustus 1894 (Gemeentearchief Schouwen-Duiveland, Beeldbank Schouwen-Duiveland, E. Helder).

Mode

Hoe de dracht zich ontwikkelde, hing met allerlei factoren samen. Geld, maar ook de sociale structuur was bepalend. Een gesloten gemeenschap stond niet open voor invloeden van buitenaf. Open gemeenschappen namen bijvoorbeeld makkelijk invloeden uit de burgermode over. Het Land van Cadzand en de noordelijke eilanden waren modegevoeliger doordat hier een elite van rijke boeren woonde. Zij hadden voldoende geld om modieuze nieuwtjes in hun kostuum aan te brengen.

Vrouw in Duivelandse dracht, Ouwerkerk circa 1900 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Schotel).

Vrouw in Duivelandse dracht, Ouwerkerk circa 1900 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto J. Schotel).

Los van spontane modegrillen was er ook een meer geleidelijk ontwikkeling van de mode. Elke generatie bracht eigen veranderingen met zich mee. Walcherse vrouwen lieten bijvoorbeeld elke generatie iets meer van het haar onder hun muts uit komen. De mouwen van hun jakken werden korter, de rokken langer en het decolleté lager.

Van kleur naar eenvoud

Een belangrijke ontwikkeling op modegebied was het verdwijnen van kleur uit de dracht. De vroege streekdracht was bijzonder kleurrijk. In de loop van de negentiende eeuw verdween de kleur uit de kostuums. Hiermee volgde men waarschijnlijk een trend uit de burgermode. Terwijl de kleuren donkerder werden, begonnen vrouwen wel meer aandacht te besteden aan de versiering van hun kleding. Ze brachten allerlei versieringen en borduurwerk aan. Op Walcheren werden de beuken meer versierd. In Axel werden de mutsen met borduurwerk en kraaltjes versierd en maakten ze versierde schortenstrikken.

Protestantse vrouw uit Zuid-Beveland, circa 1890 (particuliere collectie). Ze draagt diverse sieraden, zoals een groot filigrain voorslot, borstzeugen met bijbehorende zijspelden en allerlei Zeeuwse ringen.

Protestantse vrouw uit Zuid-Beveland, circa 1890 (particuliere collectie). Ze draagt diverse sieraden, zoals een groot filigrain voorslot, borstzeugen met bijbehorende zijspelden en allerlei Zeeuwse ringen.

Sieraden

Sieraden speelden een belangrijke rol in de kostuums. Soms had een sieraad een praktische functie (oorijzer, spelden, knopen en gespen bijvoorbeeld). Bij de mannen zijn de zilveren broek- en klepstukken waarmee ze hun broekband en -klep sluiten een belangrijk functioneel sierelement. Andere sieraden dienden uitsluitend ter verfraaiing. Vrouwen hingen soms gouden mutsenbellen aan hun oorijzer. Ook droegen ze bijvoorbeeld een of meerdere halssnoeren van bloedkoralen, gitten of zwarte kralen.

Eén sieraad heeft een stevige comeback gemaakt in Zeeland: de Zeeuwse knop – ook wel Zeeuwse knoop genaamd. Oorspronkelijk droegen mannen deze verfijnd gesmede gouden of zilveren knoop, maar later gingen vrouwen het ook als sieraad (mutsspeld of broche) gebruiken. Zeeuwen hebben de vorm van de knop omarmd en je ziet hem nu overal terug. Als sieraad, maar ook als bakblik, fietsbel of zeep, bijvoorbeeld.

Status en andere codes

Sieraden waren bij uitstek geschikt om te laten zien welke status je had. Dat kon simpelweg door materiaalgebruik en hoeveelheid, maar vaak waren er ook subtielere codes. Vrouwen die ringen droegen die groter waren dan hun vingerkootje, lieten daarmee bijvoorbeeld zien dat ze niet hoefden te werken. Je kon ook met kleding laten zien dat je rijk was. Soms zat het hem in luxe materialen, maar ook hier waren weer codes. Dames die veel kleding hadden konden het zich veroorloven om de kleding lang opgevouwen in de kast te bewaren. Daardoor werd een scherpe vouw in de kleding een statussymbool. Kleding en sieraden lieten daarnaast nog allerlei informatie zien over de drager. Zo kon je vaak zien of iemand getrouwd was of niet en was het ook duidelijk te zien aan je ingetogen kleding als je in de rouw was.

Vrouw in halve rouw. Axelse dracht, 1970 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm).

Vrouw in halve rouw. Axelse dracht, 1970 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm).

Kleding voor verschillende gelegenheden

Mensen droegen niet altijd dezelfde kleding – ze pasten hun kleding aan de gelegenheid aan. Er was bijvoorbeeld werkkleding en zondagse kleding. Als er gewerkt moest worden, droegen mensen kleren van goedkope maar sterke stof. Sieraden werden tijdens het werk tot een minimum beperkt. De mooiste kleding en sieraden werden bewaard voor de kerkgang op zondag. Deze kleding was bedoeld om mee te pronken.

Verdwijning van streekdrachten

In de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen de eerste streekdrachten te verdwijnen. Dat kwam deels doordat de samenleving minder gesloten werd. In de crisisjaren dertig en tijdens de Tweede Wereldoorlog waren streekdrachten bovendien te duur. Sinds 2003 zijn er geen Zeeuwse mannen meer die dagelijks streekdracht dragen. In 2013 liepen er nog 72 vrouwen in streekdracht.

Pieter Verhage, de laatste man in Walcherse dracht (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm).

Pieter Verhage, de laatste man in Walcherse dracht (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm).

Hernieuwde interesse

Terwijl de streekdrachten op het platteland verdwenen, kreeg de buitenwereld er steeds meer belangstelling voor. Dat had als gevolg dat volkenkundigen in de tweede helft van de negentiende eeuw al begonnen met het verzamelen van afgedankte kledingstukken, sieraden en accessoires. Er is daardoor veel bewaard gebleven en ze legden zo de basis voor museale collecties die je tegenwoordig nog kunt zien in onder andere Historisch Museum De Bevelanden in Goes, Museum Arnemuiden, Museum Veere, Museum Het Warenhuis in Axel, Museumboerderij Goemanszorg in Dreischor, Streekmuseum De Meestoof in Sint Annaland en het Zeeuws Museum in Middelburg.