Verschillende streekdrachten

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Op Walcheren en Zuid-Beveland verdwijnen momenteel in hoog tempo de twee laatst overgebleven Zeeuwse streekdrachten. Nadat de laatste draagster zal zijn overleden, is deze kleding alleen nog in het museum te zien. Wat een verschil met tweehonderd jaar geleden toen op het hele Zeeuwse platteland streekdrachten werden gedragen. Binnen de Zeeuwse streekdrachten zijn zowel per regio (en soms zelfs plaats) en tijdsperiode als ook per inkomens- en beroepsgroep kenmerkende elementen te onderscheiden.

De term ‘streekdrachten’ verwijst naar het streekgebonden karakter van de kleding. Aan het begin van de 19de eeuw werd overal in Zeeland nog een zelfde soort kostuum gedragen, maar in de loop van de 19de eeuw ontstonden in verschillende gebieden varianten. Uiteindelijk telde Zeeland maar liefst zestien verschillende streekdrachten. Daarbinnen waren er soms nog varianten per dorp of beroepsgroep of kerkelijke gezindte. Al in de tweede helft van de 19de eeuw begonnen de eerste streekdrachten te verdwijnen. De vrouwendrachten op Walcheren en Zuid-Beveland houden het langst stand. Nu wonen in Arnemuiden en Westkapelle nog de meeste draagsters van streekdracht. Mannen in dracht leven er niet meer.

Onderdelen van een feestelijk stikliefkostuum, circa 1800. Beeldcompositie Katie Heyning. (Zeeuws Museum en Zeeuws Museum, collectie Zeeuws Genootschap)

Het kostuum rond 1800

Aan het eind van de 18de eeuw droegen mannen en vrouwen op het Zeeuwse platteland een zelfde soort kostuum. Dit kostuum was verwant aan de informele kleding van de stedelijke burgerij. Vrouwen gingen gekleed in een jak, beuk (borst- en ruglap) en doek en droegen meerdere rokken over elkaar. Over de bovenste rok ging een schort. Wie extra mooi gekleed wilde gaan, verruilde jak en doek voor een stiklief (keurslijf).

Op het hoofd droegen vrouwen altijd een witte onder- en bovenmuts. De bovenmuts was een hul: een eenvoudige muts die nauw om het hoofd aansluit. Buiten droegen vrouwen op hun muts een grote strohoed.

Mannen gingen gekleed in een kniebroek en een hemdrok, soms met een vest daaroverheen. Om de hals knoopten zij een halsdoek. Buiten droegen ze een jas en op het hoofd een hoed.

Portret van Karel Kramer uit Noord-Beveland. Schilderij door C. Zwigtman, 1808 (Zeeuws Museum, collectie Zeeuws Genootschap). Kramer draagt een grote vilten hoed, een gebloemde halsdoek onder zijn keelknopen en ook een oorring.

Ontwikkeling verschillende drachten

In het begin van de 19de eeuw ontstonden regionale verschillen in de kleding van de Zeeuwse plattelandsbevolking. Dat werd allereerst zichtbaar in de vrouwenmutsen. Vervolgens werden ook wijzigingen aangebracht in de bovenkleding. Rond 1850 was in elke Zeeuwse regio een eigen kostuum tot ontwikkeling gekomen. De kleding van de boeren had zich losgeweekt van de stadse kleding en een eigen stijl gekregen. Soms ontstonden er ook nog afwijkingen per dorp of gingen beroepsgroepen zich onderscheiden.

Factoren

Voor de ontwikkeling van de Zeeuwse streekdrachten waren vier factoren van belang.

De rijkdom en het welvaartspeil van de plattelandsbevolking bepaalden hoeveel geld er aan kleding kon worden uitgegeven. Konden mensen bijvoorbeeld dure stoffen kopen of moesten ze zich tevreden stellen met minder mooie?

In de tweede plaats bepaalden de handel en nijverheid in de provincie welke stoffen, sieraden en accessoires er beschikbaar waren.

De sociale structuur van de dorpsgemeenschap bepaalde vervolgens of en op welke wijze de mode werd gemaakt. Vaak was het de elite die de toon zette. Sloot de elite zich af van invloeden van buiten, dan kregen ontwikkelingen in de streekdrachten een introvert karakter. Een elite die zich openstelde voor de buitenwereld nam gemakkelijk elementen uit de burgermode over. De streekdrachten zouden zich in deze gebieden anders ontwikkelen.

Tenslotte waren de esthetische codes in combinatie met de sociale controle in de dorpsgemeenschap van belang. Wat is mooi, wat is lelijk en hoe worden mensen beoordeeld die zich niet aan die codes houden?

Noordelijke eilanden

De bevolking op Schouwen-Duiveland, Tholen, Sint-Philipsland en Noord-Beveland droeg een overeenkomstige dracht, met als meest opvallende kenmerk de witte sluiermuts van de vrouwen. Vóór het midden van de 19de eeuw gingen de vrouwen op de noordelijke eilanden de toen modieuze japon dragen. Tussen de eilanden bestonden wel kleinere verschillen.

Vrouw in Duivelandse dracht, Ouwerkerk circa 1900. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto J. Schotel)

In het tweede kwart van de 19de eeuw ontstond er op deze eilanden bovendien een onderscheid in de kleding van de boerenvrouwen en burgervrouwen. Op Schouwen-Duiveland en Tholen was de boerendracht weelderiger dan de burgerdracht. Op Noord-Beveland was dat precies andersom.

In de mannenkostuums kwamen al voor het midden van de 19de eeuw elementen uit de burgermode terecht, zoals het overhemd.

Walcheren

Kenmerkend voor de Walcherse vrouwendracht is de kleine hulmuts die als bovenmuts gangbaar bleef. Ook de traditionele combinatie van jak, beuk, rokken en schort voor de vrouwen bleef al die tijd behouden. De doek verdween hier in de loop van de tijd steeds verder in het jak.

Vrouw en meisje in Walcherse dracht op een marktdag, Middelburg, omstreeks 1910. (Zeeuws Archief, Historisch-Topografische Atlas Middelburg)

De mannen hielden zich bij de combinatie van een klepbroek, boezeroen (soort kiel maar minder wijd, werd hier in plaats van de hemdrok gedragen), vest en rok (mannenjas). Op het hoofd ging een zwarte hoed, waarvan in de loop van de tijd verschillende modellen in de mode waren.

Middelburgs Ambacht

In het gebied rond Middelburg droegen vrouwen een afwijkende muts. Jonge vrouwen stapten hier niet over op de hulmuts, maar bleven de lange meisjesmuts dragen.

Vrouw in de dracht van het Middelburgs Ambacht. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Nieuw- en Sint-Joosland

De inwoners van Nieuw- en Sint-Joosland droegen een eigen kostuum, dat beïnvloed was door de Walcherse en Zuid-Bevelandse drachten. Vanaf het begin van de 19de eeuw bleven bijna alle vrouwen de kindermuts dragen, die een eigen ‘Nieuwlandse’ vorm had. Het mannenkostuum van Nieuw- en Sint-Joosland lijkt veel op dat van de protestantse mannen op Zuid-Beveland.

Nieuwlandse dracht, circa 1900 (links) en 1925 (rechts). (De Bree/Van Ham, Walcherse klederdrachten, Middelburg 1975)

Arnemuiden

In Arnemuiden kwamen naast de gangbare Walcherse boerendracht twee andere vrouwendrachten voor. De vissersvrouwen kregen er na het midden van de 19de eeuw een eigen dracht, die in feite een verouderde Walcherse boerendracht was.

Vrouw (mw. Van Belzen) in hedendaagse Arnemuidse dracht, op het perron van station Arnemuiden, circa 1992. (Zeeuws Archief, coll. Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata)

Daarnaast ontstond er in Arnemuiden aan het eind van de 19de eeuw een burgerdracht voor vrouwen, die was afgeleid van de vrouwendracht van Nieuw- en Sint-Joosland.

Meisjes uit Arnemuiden, 1894. Ingekleurde foto (Zeeuws Museum, collectie Zeeuws Genootschap). Het meisje links draagt het kostuum van de Arnemuidse vissersdracht. Het meisje rechts draagt de modernere Arnemuidse burgerdracht.

Zuid-Beveland

Aanvankelijk droeg de hele bevolking van Zuid-Beveland hetzelfde soort kostuum. De vrouwen droegen meerdere rokken en een schort daarover heen en op het bovenlijf een beuk en een grote, geplooide doek. De mannen droegen een boezeroen, ondervest (vest) en korte jas, alsmede een klepbroek.

Vrouw in de protestantse dracht van Zuid-Beveland, 1964. (ZB, Beeldbank Zeeland, fotoarchief PZC)

Rond 1875 ontstond hier in de kleding een onderscheid naar kerkelijke gezindte. Een protestantse en een katholieke dracht ontwikkelden zich. Zeer typerend voor het verschil tussen beide drachten zijn de vrouwenmutsen. Door een andere manier van in elkaar naaien en plooien krijgt de muts in beide drachten een ander uiterlijk. Protestantse vrouwen dragen een ronde wijduitstaande muts. Katholieke vrouwen dragen een muts met een hoekig, trapeziumachtig model.

Vrouwen achter de toog in Ovezande in de katholieke vrouwendracht van Zuid-Beveland, 1924. (ZB, Beeldbank Zeeland)

De verschillen zijn verder onder meer zichtbaar aan de mannenhoeden, de kleuren van de kleding en de sieraden. In tegenstelling tot Walcheren krijgt de doek bij de vrouwen steeds meer nadruk.

Land van Cadzand

In het westen van Zeeuws-Vlaanderen ontstond een streekdracht die aanzienlijk afweek van hetgeen elders in Zeeland werd gedragen. De witte kornetmuts van de vrouwen is kenmerkend voor de Cadzandse dracht. Deze muts heeft een bol en pas uit één stuk en een strook langs het gezicht en aan de achterkant. Kenmerkend voor de Cadzandse vrouwendracht is ook de combinatie van een rok en een mantel met aan de onderzijde een lange schoot. Deze combinatie is afgeleid van de burgermode. Mannen gingen al voor het midden van de 19de eeuw over op een burgerkostuum.

Vrouwen in Cadzandse dracht, 1954. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A.P. Maas)

Land van Axel

Rond Axel was de boerendracht het meest gangbaar. De hoge schouderpartijen van de vrouwen springen het meest in het oog. Deze zijn ontstaan doordat vrouwen hun doek in de loop van de tijd steeds hoger gingen opspelden. Met behulp van een stevige doek of papier wordt de Axelse doek in model gehouden. Verder dragen vrouwen de traditionele combinatie van mouwlief (hemdrok), beuk, rokken en schort. Het mannenkostuum bestaat, net als op Walcheren en Zuid-Beveland, uit een klepbroek, boezeroen, vest en rok.

Axelse vrouwendracht. (ZB, Beeldbank Zeeland, prentbriefkaart)

Rond Axel kwam ook een burgerdracht voor. Burgervrouwen droegen een eigen kostuum met eenzelfde type lange muts als op de noordelijke eilanden.

Land van Hulst

In het oosten van Zeeuws-Vlaanderen ontwikkelde zich een eigen streekdracht met als meest typerende kenmerk de zogenaamde Vlaamse muts voor de vrouwen. De voorrand van de muts eindigt in twee slippen die tot op de schouders reiken. Daarbij dragen vrouwen een hooggesloten japon. Midden 19de eeuw was de specifieke Hulster mannendracht al verloren gegaan.

Streekdracht uit het Land van Hulst omstreeks 1890. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Sieraden en accessoires

Sieraden zijn belangrijk in de kostuums. Sommige sieraden hebben een praktische functie. Het zilveren oorijzer, dat vrouwen in hun ondermuts spelden, dient om de muts op het hoofd te klemmen. Knopen, spelden en gespen dienen om kledingstukken te sluiten. Opvallend zijn bijvoorbeeld de zilveren broek- en klepstukken waarmee mannen hun broekband en -klep sluiten.

Andere sieraden dienden uitsluitend ter verfraaiing. Vrouwen hangen soms gouden mutsenbellen aan de stukjes die zich aan de voorzijde van het oorijzer bevinden. Ook steken ze gouden spelden in de zijkanten van hun muts. Vrouwen dragen altijd een of meerdere halssnoeren van bloedkoralen, gitten of zwarte kralen. Onder (later boven) de schort gaan een beugeltas en tot ver in de 19de eeuw een zilveren gerei met naaldenkoker, schaar en puntschede (bestekkoker).

Sieraden behorend bij de protestantse dracht van Zuid-Beveland. Bloedkoralen snoer met gouden slot, kroonspelden en speld. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto W. Helm, 1979)

Knoopjes, gespen, paeremes…

In de 19de eeuw sloten mannen het hemdrok met een lange rij zilveren knoopjes (rêêste). Ook droegen veel mannen een gouden oorring. Zowel mannen als vrouwen hadden in de 19de eeuw zilveren gespen op hun schoenen. Vrouwen die het konden betalen, droegen aan het begin van de 19de eeuw nog een gouden voorhoofdsnaald. Dat is een halfronde, smalle plaat, die in de muts wordt gespeld en waarvan het versierde gedeelte voor het voorhoofd komt. Een typerende accessoire in de mannendracht op Walcheren en Zuid-Beveland is het boerenzakmes. Het wordt ook wel ‘paeremes’ genoemd. Het houten heft ervan is fraai versierd met houtsnijwerk.

Kist, gevuld met sieraden, van juwelier Lou Minderhoud (1877-1970), circa 1900 (Juwelier Minderhoud, foto Ivo Wennekes). Met deze kist op de kruiwagen en later op de fiets bezocht juwelier Minderhoud de dorpen en boerderijen op Walcheren.

Varianten

Elke dracht heeft meerdere varianten van de kostuums. Er is werkkleding, opknapkleding en zondagse kleding. Als er gewerkt moest worden, droegen mensen kleren van goedkope maar sterke stof. Of zij droegen versleten kledingstukken verder af. Sieraden werden tijdens het werk tot een minimum beperkt.

Rijkere vrouwen hadden opknapkleding of achter(na)middaggoed. Dat was nette kleding die ’s middags werd aangetrokken, als het werk voor die dag was gedaan. De mooiste kleding en sieraden werden bewaard voor de kerkgang op zondag. Deze kleding was bedoeld om mee te pronken.

Gezin uit Meliskerke (Walcheren) met de kinderen in streekdracht. Foto uit 1916 (ZB, Beeldbank Zeeland). De vrouw des huizes is in de rouw, de man gaat gekleed in burgerkleding.

Kinderdracht

Kinderen gingen vanaf hun 4de of 5de jaar dezelfde soort kleding als volwassenen dragen. Alleen de mutsen van de meisjes waren aangepast. Het moment waarop de meisjes de volwassen muts met aanverwante sieraden mochten gaan dragen, markeerde de overgang van kindertijd naar volwassenheid. In de meeste drachten lag dat moment rond het 12de of 14de levensjaar. Op de noordelijke eilanden waren de meisjes dan ongeveer 18 jaar.

Literatuur
Jeanine Dekker e.a. (red.), De Zeeuwse streekdrachten 1800-2000, Zwolle 2005.