Kleuren en versiering in de streekdrachtkostuums

De vroege streekdrachten waren uiterst kleurrijk. Maar in de loop van de negentiende eeuw verdween de kleur uit de kostuums. Het eerst bij de mannen. Hiermee volgde men een trend uit de burgermode. Hoewel de kleuren donkerder werden, begonnen vrouwen wel meer aandacht te besteden aan de versiering van hun kleding. Daartoe brachten ze er onder meer strookjes, galonnetjes en borduurwerk op aan.

Sitsen beuk van Schouwen, met fraai bloemmotief (Zeeuws Museum, KZGW).

Sitsen beuk van Schouwen, met fraai bloemmotief (Zeeuws Museum, KZGW).

Kleuren

De kleding in de late achttiende eeuw was van kleurrijke stoffen gemaakt. Kleur zat in de wollen stoffen die voor de vrouwenrokken (ook wel ‘keuzen’ genoemd, met als enkelvoud ‘keus’) en de bovenkleding van de mannen werden gemaakt. Maar het meest kleurrijk waren de zogenaamde sitsen. Sits is een fijne, met de hand beschilderde katoen uit India. Het raakte aan het eind van de achttiende eeuw in de vrouwendracht in zwang voor schorten, beuken, jakken, losse mouwen en voeringen van de strohoeden. Mannen droegen hemdrokken van sits.

Oprukkend zwart

In de loop van de negentiende eeuw verdween veel van de kleur uit de streekdrachtkostuums. Dat gebeurde het eerst bij de mannen, die midden negentiende eeuw donkergekleurde en zwarte bovenkleding gingen dragen. De vrouwen volgden een generatie later, al hielden sommige drachten wel de fleurige beuken en doeken.

Over de kleurveranderingen en het oprukkende zwart doen verschillende interpretaties de ronde. Sommigen wijten het verdwijnen van kleur aan de toenemende invloed van orthodox-calvinistische geloofsopvattingen. Streng gereformeerde mensen zouden een voorkeur hebben voor het sobere zwart. Anderen zijn van mening dat de voorkeur voor zwarte kleding voortvloeit uit het langdurig dragen van rouwdracht. Als belangrijkste verklaring geldt echter dat met de toepassing van zwart in de streekdrachten in de loop van de negentiende eeuw eenvoudigweg een trend uit de burgermode werd gevolgd.

Handwerken

Tegen het midden van de negentiende eeuw gingen vrouwen op het platteland steeds meer aandacht schenken aan de versiering van hun kleding met fraaie strookjes en galonnetjes (lintjes of koordjes). Op Walcheren borduurden vrouwen hun beuken met merklapmotieven, waarin levensfilosofieën werden uitgebeeld. Later was op Walcheren voor de versiering van beuken korte tijd het wit-op-wit borduurwerk in trek. Dit type borduurwerk werd ook gebruikt in het halsboord en de manchetten van de zondagse hemden van de Walcherse en Zuid-Bevelandse mannen.

Beuk van geborduurde tule met een strook kloskant langs de halsopening (Zeeuws Museum, KZGW). Tussen de tule en de witte voering is gekleurd papier geschoven om de tule mooi uit te laten komen.

Beuk van geborduurde tule met een strook kloskant langs de halsopening (Zeeuws Museum, KZGW). Tussen de tule en de witte voering is gekleurd papier geschoven om de tule mooi uit te laten komen.

Axelse beukstukken

Een hoogtepunt van huisnijverheid werd in het laatste kwart van de negentiende eeuw bereikt. De Axelse dracht heeft hiervan prachtige voorbeelden. De mutsen werden met borduurwerk en kraaltjes versierd. Ook borduurden de Axelse vrouwen hun beuken, waarin zij kleurige motieven, kraaltjes en lovertjes verwerkten. Zo ontstonden de rijk versierde losse beukstukken in de Axelse dracht.

Een ander element waarmee de vrouwen hier eer inlegden waren de versierde schortenstrikken. Ook katholieke Zuid-Bevelandse boerinnen verfraaiden in deze tijd hun beuken met kralenpassementen.

Literatuur

Jeanine Dekker e.a. (red.), De Zeeuwse streekdrachten 1800-2000, Zwolle 2005.