Zout, Zeeuws goud uit de IJzertijd

door Robert van Dierendonck
verhaal Uit de Zeeuwse klei, gepubliceerd op

De productie van zout was in Zeeland meer dan 1500 jaar een belangrijke pijler voor de economie van het gebied. De waarde van zout was bijzonder groot, want je kon er de levensduur van voedingsmiddelen als vlees, vis en groenten mee verlengen. Zo kon je voorraden aanleggen om de winter te overleven. In latere perioden als de Romeinse tijd en de Middeleeuwen werd zout ook grootschaliger gebruikt, zoals bij het vervaardigen van vissaus en de conservering van haring, kabeljauw en schelvis. Toen was er ook sprake van een ambachtelijke of industriële productie.

Groengeel tot geeloranje

De vroegste aanwijzing voor het maken van zout in een huishoudelijke omgeving stamt uit Oostkapelle. Tussen de vondsten van een nederzetting aan de Oude Domburgseweg (Midden-IJzertijd, 410-350 voor Chr.) bevonden zich cilindervormige en rechthoekige staafjes van gebakken klei. Dit waren kleispijkers die dienden als steunmateriaal voor potten waarin pekel werd ingedampt tot zout en het zout werd gedroogd. Dat materiaal is, net als de potten waarin het zout werd ingedampt en getransporteerd, goed herkenbaar aan het baksel: doordat plantaardig materiaal in de klei is gemengd, is de gebakken klei poreus en opvallend licht van gewicht. Ook de kleuren van het aardewerk vallen op, meestal licht groengeel tot geeloranje.

Driepoot van gebakken klei voor prehistorische zoutproductie. (Collectie KZGW, foto SCEZ)Driepoot van gebakken klei voor prehistorische zoutproductie. (Collectie KZGW, foto Erfgoed Zeeland)

Vroegste exportproduct

Uit de Late IJzertijd en mogelijk ook de Romeinse periode kennen we complete objecten waarop de potten voor de zoutproductie werden geplaatst, namelijk driepootjes. Een aantal daarvan is gevonden in Koudekerke, nu Vlissingen, bij de Galgeweg of in Paauwenburg.

Of het zout in de prehistorie werd vervaardigd door het verbranden van verzilt veen of uit ingedampt zeewater is niet duidelijk. Wel is duidelijk dat in die tijd al zout van de kust naar het binnenland werd verhandeld en getransporteerd, herkenbaar aan het baksel van de potten. Daarmee kunnen we het Zeeuwse zout beschouwen als het vroegste exportproduct uit deze provincie.

Literatuur
P.W. van den Broeke, Zoutwinning langs de Noordzee: de pre-middeleeuwse sporen, in: A.M.J. de Kraker & G.J. Borger (red.), Veen-Vis-Zout. Landschappelijke dynamiek in de zuidwestelijke delta van de lage landen, Amsterdam 2007 (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 8), 65-80.
P.W. van den Broeke & M. Jansma, Herkomstbepaling van kustaardewerk door middel van diatomeeënonderzoek, in: P.W. van den Broeke, Het handgevormde aardewerk uit de IJzertijd en de Romeinse tijd uit Oss-Ussen. Studies naar typochronologie, technologie en herkomst, Leiden 2012.
M. van Dasselaar, G.P.A. Besuijen & M.W.A. de Koning, Archeologisch onderzoek bij de aanleg van een sprink in het Bos Schoonoord te Oostkapelle. Archeologische begeleiding en opgraving onder beperkende omstandigheden, Capelle aan den IJssel 2007 (ArcheoMedia Rapport A05-060-O/N).
J. Jongepier, Prehistorie, in: P. Brusse & P. Henderikx (red.), Geschiedenis van Zeeland, deel 1, Prehistorie – 1550, Utrecht/Zwolle 2012, 31-41.