Zeeland en de Gouden Eeuw

De indrukwekkende VOC-schepen die op de rede van Rammekens wachten op gunstige wind om uit te varen, vormen misschien het eerste beeld dat in ons opkomt als we denken aan Zeeland in de Gouden Eeuw. Toch zijn die handelsschepen maar een deel van het verhaal. Ook de grote polders van nieuw ingepolderd land en de grote boerderijen met de ‘Zeeuwse schuren’ die daar verrezen, geven uitdrukking aan de Gouden Eeuw van Zeeland.

Zicht op de rede van Rammekens. Schilderij door Willem Hermansz. van Diest, 1657. (Maritiem Museum Rotterdam)

Handel

Tot het eind van de zestiende eeuw stonden de Zeeuwse havensteden in de schaduw van de Brabantse en Vlaamse steden, in het bijzonder van Antwerpen. Maar toen de Scheldestad in 1585 in handen van de Spanjaarden viel en de banden met het noorden werden verbroken, trokken de Zeeuwse steden meteen meer handelsactiviteiten naar zich toe. Toen Antwerpen in de zeventiende eeuw weer ging groeien, profiteerden de Zeeuwen mee. Ze hieven belasting over het scheepvaartverkeer dat over de Westerschelde naar de Scheldestad voer en lieten lading met bestemming Antwerpen verplicht op kleinere schepen overladen.

Ondernemende lieden keken ook verder dan de Schelde. Zij interesseerden zich voor de Aziatische handel, met name die in peper, die aanvankelijk door Portugal werd beheerst, maar waarvoor de Nederlanders eind zestiende eeuw zelf expedities gingen uitrusten. Ook Zeeuwen participeerden in de ‘voorcompagnieën’, gelegenheidscombinaties die in de meeste gevallen één expeditie uitrustten. De voorcompagnieën waren de voorlopers van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), die in 1602 werd opgericht en het monopolie kreeg voor de Nederlandse handel en scheepvaart op Azië. Het ging met name om de handel in specerijen, sitsen stoffen en porselein. Na Amsterdam was de Kamer Zeeland de belangrijkste Kamer van de VOC.

Wijnfles uit het wrak van het VOC-schip Geldermalsen, dat in 1752 verging in de Zuid-Chinese zee. Het spiegelretourschip was in 1746 gebouwd voor de Kamer Zeeland op de VOC-werf in Middelburg. De fles is te zien op zaal in het Zeeuws Museum (collectie Zeeuws Museum, foto Ivo Wennekes).

De West-Indische Compagnie (WIC), opgericht in 1621, had het staatsmonopolie voor de handel en scheepvaart op West-Afrika, de oostkust van Amerika en de Caribische eilanden. De WIC hield zich bezig met de driehoekshandel tussen deze gebieden. De slavenhandel was daar een onderdeel van. Ook de Middelburgse Commercie Compagnie speelde in de achttiende eeuw een grote rol in de slavenhandel.

In de Zeeuwse steden zorgden de bloeiende internationale handel voor veel afgeleide werkgelegenheid in de ambachtelijke sector, bijvoorbeeld op scheepswerven, bij kuiperijen, touwslagerijen en zeilmakerijen.

Landbouw in vruchtbare polders

De landbouw was de tweede pijler onder de Gouden Eeuw van Zeeland. Zeeland had een agrarische sector met een commercieel en voor die tijd modern karakter. De Zeeuwse tarwe was een winstgevend exportgewas. Dat was reden voor met name rijke stedelingen om vanaf het eind van de zestiende eeuw fors te investeren in de landbouw en in inpolderingen van land dat door stormvloeden en militaire inundaties verloren was gegaan. Onder meer Noord-Beveland, Sint-Philipsland en delen van het huidige Zeeuws-Vlaanderen werden (opnieuw) bedijkt.

Investeringen in bedijkingen waren niet zonder risico. Toch pompten rijke Zeeuwse stedelingen flinke bedragen in nieuw land, met de bedoeling de vruchtbare grond na drooglegging te verkopen of te verpachten. Ook de boeren zelf investeerden, namelijk in de bouw van nieuwe boerderijen, die geschikt waren voor de grote commerciële akkerbouwbedrijven in de nieuwe polders. De boerderijen bestonden uit een grote houten schuur, waarin zich ook de stallen voor de paarden en koeien bevonden, en een eenvoudig bakstenen woonhuis.

Aanvankelijk werd op deze boerenbedrijven veel tarwe geteeld, maar toen de graanverbouw na 1660 minder loonde, stapten investeerders en boeren over op de lucratievere teelt van meekrap.

Het keuren van de meekrap. Schilderij door anonieme kunstenaar, 1764. (Zeeuws Museum, collectie Zeeuws Genootschap)

Een stabiele economie

Zeelands Gouden Eeuw duurde langer dan vaak wordt aangenomen. Het einde werd ingeluid door de economische neergang van de oude handelssteden vanaf het midden van de achttiende eeuw. We moeten bij die Gouden Eeuw niet denken aan een periode van onafgebroken economische groei maar eerder aan een periode van stabiele welvaart. En dat was over zo’n lange periode een prestatie op zich. De sleutel tot succes lag in het inventieve en praktische handelen van de Zeeuwse ondernemers. Als in tijden van oorlog de koopvaardij stil kwam te liggen, wendden ze zich tot de smokkelhandel en kaapvaart. Door het aanboren van steeds nieuwe bronnen bleef de welvaart op peil.

De wereld werd groter

In de lange Gouden Eeuw werd het blikveld ruimer. Niet alleen door de toestroom van migranten, maar ook door de vele reizigers, schippers en kooplieden die het gewest aandeden en nieuwe ideeën, denkbeelden en vaardigheden meebrachten. Handelsschepen voerden informatie over en voorwerpen uit verre werelden aan en ontdekten nieuwe zeeroutes en nieuwe werelden.

De Middelburger Jacob Roggeveen ontdekte in 1722 Paaseiland. Tijdens de verkenning van het eiland stuitte hij op de grote stenen Moai-beelden.

Het wereldbeeld veranderde ook door moderne wetenschappelijke theorieën, waarbij de natuur een zelfstandige bron voor kennis werd. Philippus Lansbergen, die in Goes en later in Middelburg woonde, was bijvoorbeeld een van de eersten die systematische waarnemingen bijhield van de zon.

De toestroom van intellect, denkbeelden, ambachtelijke vaardigheden en artistieke kwaliteiten was een belangrijke stimulans voor een bloeiend cultureel leven in Zeeland. Middelburg was in het eerste kwart van de zeventiende eeuw een vooraanstaand centrum van kunst en cultuur. In de stad lag een belangrijke afzetmarkt voor fijnschilders, zilversmeden, steenhouwers en andere ambachtslieden.

Pieter Boudaen Courten (1591-1668), bewindhebber VOC Kamer Zeeland. Schilderij toegeschreven aan de Middelburgse schilder Salomon Mesdach, 1619. (Rijksmuseum Amsterdam)

Ontstaan van een stedelijke elite

In de Gouden Eeuw ontwikkelde zich een bovenlaag van rijke kooplieden in de steden, die in de stedelijke en gewestelijke bestuursorganen macht naar zich toe trokken. Deze groep mensen woonde in fraaie huizen, verbleef in de zomers op buitenplaatsen met uitgestrekte tuinen en omringde zich met luxe en kostbare goederen.

Het succes had ook een achterkant. Het leven van degenen die niet tot the happy few behoorden, zag er heel anders uit, maar pauperisme was bepaald niet volksziekte nummer één. Dankzij de economische voorspoed was er veel werk, ook voor degenen die geen vaste dienstbetrekking en geen bezit hadden en bij werkloosheid aangewezen waren op de bedeling.

Belangrijkste geraadpleegde literatuur:
Brusse, Paul en Wijnand Mijnhardt (red.), Geschiedenis van Zeeland, deel 2: 1550-1700, Zwolle/Utrecht 2012.
Brusse, Paul en Jeanine Dekker (red.), Geschiedenis van Zeeland, deel 3: 1700-1850, Zwolle/Utrecht 2013.