Van boomstam tot haringbuis

Om zich over het water te verplaatsen maakten mensen in de Zeeuwse delta creatief gebruik van natuurlijke materialen. Romeinen en Vikingen brachten nieuwe vormen en technieken van scheepsbouw mee. De opkomst van handel en steden vanaf de 11de eeuw zorgde voor een eerste aanzet tot een professionele bouw van met name vissersschepen.

Boomstam

Kenmerkend voor het Zeeuwse deltagebied is een overvloed aan water. Ook in tijden met een lage zeespiegel bleven bepaalde delen geïsoleerd door het water. De vele inhammen, stromen en watervlaktes noodzaakten de eerste mensen dus tot inventiviteit. Ontdekken en verkennen van dit gebied kon alleen na het overwinnen van deze natte barrières. Met wat voorhanden was aan materialen begaven de eerste bezoekers zich over het water. Het waren van boomstammen gemaakte kano’s die doelgericht voor dit transport gebruikt werden.

Een van de gevonden boomstamkano's, tentoongesteld in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis, Brussel, enkele jaren na de opgraving (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Brussel)Een van de gevonden boomstamkano’s, tentoongesteld in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis, Brussel, enkele jaren na de opgraving (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Brussel)

Eikenhout

Van deze eerste bootjes zijn binnen onze provinciegrenzen nog geen exemplaren gevonden. Voor de meest dichtbij gevonden boomstamkano moeten we in Antwerpen zijn. Hier zijn bij het uitdiepen van de haven in 1910 een paar eikenhouten kano’s gevonden. Deze kano’s van ongeveer 11 meter lang en ruim een meter meter breed zijn ongeveer 2500 jaar geleden (IJzertijd) gemaakt. Voor het uit één boomstam hakken van deze kano’s zijn dissels, een speciale soort bijlen, gebruikt. De koppen van de uitgeholde stam zijn afgesloten met dwarsschotten. In de kano zijn bankjes aangebracht.

Romeinen

Met de Romeinen kwamen veel meer en vooral duidelijker dan daarvoor uitgebreide handelsnetwerken tot stand. Zij maakten optimaal gebruik van de voorhanden zijnde geografische gesteldheden en bronnen. Ook de Zeeuwse delta maakte deel uit van dit ingenieuze economische raderwerk. Op verschillende plaatsen zijn bewijzen voor Romeinse activiteiten aangetroffen, zoals in Aardenburg, Domburg en Colijnsplaat. Romeinen kozen deze plaatsen vanwege hun (strategische) ligging en bereikbaarheid. Het belang van de scheepvaart in die tijd blijkt uit de beeltenissen en teksten op gevonden altaarstenen gewijd aan de inheems Romeinse godin Nehalennia. Hoewel hier de bewijzen nog voor ontbreken, zijn in de nabijheid van deze plaatsen ongetwijfeld (transport)schepen gerepareerd en misschien zelfs ook gebouwd.

Aquarel met een voorstelling van een Romeinse platbodem in een landschap zoals dat ook in Zeeland in die periode voorkwam. (van woerden.nl)Aquarel met een voorstelling van een Romeinse platbodem in een landschap zoals dat ook in Zeeland in die periode voorkwam. (van woerden.nl)

Transport

De Romeinen brachten eigen scheepstypen mee, maar maakten ook gebruik van wat reeds aanwezig was. Immers, scheepvaart in Noordwest Europa vond niet alleen plaats over open zee. Voor het gebruik op de vele bevaarbare rivieren en ook in het deltagebied was een schip met platte bodem in het voordeel. Een aantal restanten van door de Romeinen gebruikte schepen is gevonden in de Nederlandse bodem (bij Zwammerdam, Woerden, De Meern en Leidsche Rijn).

Vikingen

Na het vertrek van de Romeinen (eind 3de, begin 4de eeuw) volgde een periode van relatief weinig activiteit. Een stijgende zeespiegel zorgde er mede voor dat de Zeeuwse delta voor langere tijd vrijwel onbewoonbaar was. Enkele eeuwen later pas vestigden zich hier weer mensen. Het bleef voorlopig echter dunbevolkt, met vooral boeren en vissers die voorzagen in eigen levensonderhoud. De vaartuigjes waren erg klein en eenvoudig van aard. Vanaf de 9de eeuw vielen Vikingen vanuit Denemarken en Noorwegen de streek regelmatig binnen. Dit leverde grote onrust. Een aantal van deze Vikingen vestigde zich hier echter ook als landbouwer. Zij brachten een nieuwe scheepsbouwtechniek met zich mee.

Replica Vikingschip de 'Hugin', Ramsgate (Verenigd Koninkrijk). (Foto Peter Lelliott)Replica Vikingschip de ‘Hugin’, Ramsgate (Verenigd Koninkrijk). (Foto Peter Lelliott)

Kiel, planken en zeil

Vikingschepen hebben evenals de Romeinse vaartuigen een romp van planken. Ze zijn vrij laag, licht van bouw, liggen niet diep in het water en bezitten één lange mast voor een zeil. De basis van een Vikingschip is een kiel, een soort van ruggengraat, waarop het hele vaartuig gebouwd werd. Deze kiel werd gemaakt van één boomstam (eik). De planken van de romp zijn wigvormig en vallen gedeeltelijk over elkaar. Dit is de zogenaamde overnaadse bouwwijze. De naden tussen planken worden gebreeuwd (=gedicht) met een mengsel van dierlijke haren en pek. De bewoners van de kustzone namen met de tijd enkele van deze technieken over. De bouw van schepen bleef echter lange tijd nog een vrij onbeduidende nevenactiviteit.

Tekening van het replica Vikingschip 'Hugin', Ramsgate (Verenigd Koninkrijk). (bron: fiskekuttere.dk)Tekening van het replica Vikingschip ‘Hugin’, Ramsgate (Verenigd Koninkrijk). (bron: fiskekuttere.dk)

Welvaart

Nadat eerst de Vlaamse steden Gent en Brugge vanaf de 11de eeuw tot bloei kwamen, volgden kort daarna de Zeeuws-Vlaamse steden Axel, Hulst en Biervliet. De welvaart werd hier verdiend met nijverheid maar vooral ook met handel in graan, vis en zout. Oostburg, Aardenburg en Sint-Anna ter Muiden profiteerden even later op hun beurt van een lucratieve handel in laken en wol. Handelspartners bevonden zich zowel in verder weg gelegen plaatsen in Brabant en Vlaanderen als in Engeland. Vanuit Sluis ontstond vervolgens een intensief contact met Duitse, Spaanse en Italiaanse steden, waarbij vooral wijnen, zout en vis werden verscheept. Deels werden de benodigde schepen voor deze handel in Zeeland gebouwd. Zo werden al in het jaar 1047 op het voor de kust bij Cadzand gelegen eiland Wulpen schepen gebouwd voor Vlaamse reders.

Noordelijker

De bloeiperiode van de Zeeuws-Vlaamse steden eindigde gaandeweg met de verzanding van het Zwin na 1450. Met name de stad Antwerpen was toen steeds belangrijker aan het worden. Dat gold vooral ook voor de transportroute over de Oosterschelde en in mindere mate de Westerschelde, dwars door de provincie.

Samen met een sterk groeiende handel gaf dit voordelen aan noordelijker gelegen plaatsen als Middelburg, Arnemuiden en Veere en zeker ook aan Zierikzee. Nadat Floris V, graaf van Holland, Zierikzee in 1290 tolvrijheid gaf, verliep de groei van deze stad voorspoedig. Een halve eeuw later was het de stad met het grootste aantal schepen op de grote vaart. Vooral de handel met steden in het Oostzeegebied was sterk ontwikkeld.

Detail van het tapijt van Bayeux, met de afbeelding van een schip uit de tijd van vervaardiging van het tapijt, eind 11de eeuw.Detail van het tapijt van Bayeux, met de afbeelding van een schip uit de tijd van vervaardiging van het tapijt, eind 11de eeuw.

Ontwikkeling

Deze voorspoed en de daaruit voortvloeiende en groeiende vraag naar transport over water betekende dat de behoefte aan schepen ook steeg. Het bouwen van een schip werd een specialisme. Vanaf de 11de eeuw ontstond dan ook het beroep van scheepsbouwer. Een groeiende bevolking, veranderende eetgewoonten en nieuwe technieken zorgden bovendien voor een stimulans van de bouw en ontwikkeling van vissersschepen. De bouw van de schepen vond steeds vaker plaats in of nabij de steden. Nieuwe typen schepen werden gebouwd, aangepast aan de verschillende en veranderende behoeften. En dat betrof niet alleen meer benodigde opslagruimte voor handelswaar. Het waren ook aanpassingen aan wisselende omstandigheden van gebruik in diepe en onrustige of kalme wateren.

Hulk en haringbuis

De tegen het einde van de middeleeuwen voorkomende schepen waren vooral vissersschepen en vrachtschepen. De meeste schepen hebben platte bodems, zodat ze ook in ondiepe wateren goed hanteerbaar waren en geen diepe haven vereisten. Zowel de aak als het transportschip de hulk zijn hiervan voorbeelden.

Kogge

Groeiende handelsnetwerken en contacten met andere Europese regio’s vanaf de 11de eeuw leidden tot de introductie van een nieuw type schip, de kogge. Dit hoge schip met een mast en vierkant zeil werd op kiel gebouwd. Het was een zeewaardig schip dat geschikt was voor het transport van grote ladingen van goederen als graan, wol, hout en zout. Evenals bij de Vikingschepen werden de planken aan de gebogen zijkanten van het schip volgens overnaadse bouwwijze aangebracht. De bovenliggende plank is met houten pennen of spijkers aan de onderliggende plank vastgemaakt. In het vlakke bodemgedeelte sluiten de planken met de zijkanten tegen elkaar aan (= karveelbouw). Door het breeuwen met zogenaamd mosbreeuwsel
werden de naden en kieren gedicht.

Haringbuis. (G. Groenewegen, 'Verzameling van Vier en Tachtig Stuks Hollandsche Schepen', Rotterdam 1789)Haringbuis. (G. Groenewegen, ‘Verzameling van Vier en Tachtig Stuks Hollandsche Schepen’, Rotterdam 1789)

In Zeeland?

We hebben voor de tijd tot de late middeleeuwen vrijwel geen directe bewijzen gevonden voor de bouw in Zeeland van dit scheepstype. Veel van het geschikte ‘bouwmateriaal’ (zoals eikenhout) om de benodigde planken, kielen en masten van te maken, moest van elders worden aangevoerd. Dit maakte het bouwen van schepen gedurende deze periode in onze provincie mogelijk te duur. Indien hier (grotere) schepen zijn gebouwd, gebeurde dit waarschijnlijk in de nabijheid van belangrijke handels- en vissersplaatsen. Scheepswerven waren er zeker bij Vlissingen, Zierikzee en Reimerswaal. Waarschijnlijk werden echter ook bij Westkapelle, Hulst en Brouwershaven toen al schepen gebouwd voor visserij (buizen) en handel (hulk en kogge).