Zeeland en de ‘baerse’

door Jan J.B. Kuipers
verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

In 1438 raakten Zeeland en Holland in een kaperoorlog verwikkeld met zes Noord-Duitse, ‘Wendische’ steden onder leiding van Lübeck. De oorzaken waren onze economische expansie in het Oostzeegebied en een herhaaldelijk belemmerde doorvaart door de Sont. Er waren vanwege het conflict nieuwe schepen nodig en de Raad van Holland en Zeeland vaardigde zijn eerste vlootprogramma uit. Er moesten 79 baardzen of baerdzen worden gebouwd.

Roeidoften en riemen

Het scheepstype van de baerdze of baerse kon zowel worden gezeild als geroeid. Dat laatste was gunstig voor snelle landingsacties. Daarom sprak men ook wel van roeibaerse. Andere namen die opduiken zijn barge, bargie en ook berk of bark – niet te verwarren met het latere scheepstype van die naam. In 1343 horen we van een baardze met twaalf roeidoften, die gevorderd werd van de stad Brielle door de heer van Voorne. In 1418 eiste Jacoba van Beieren van ambachtsheren een baardze van 32 riemen of meer. De grotere baardzen voerden zelfs drie masten.

Oorlogsschepen als zodanig bestonden eigenlijk nog niet. Hierin kwam nu, althans op organisatorisch vlak, een kentering. In Zeeuwse en Hollandse steden werd koortsachtig geklopt en gehamerd aan de wendbare baardzen. In het huidige Zeeland moesten Zierikzee, Westenschouwen, Brouwershaven, Kortgene, Reimerswaal, Goes, Tholen, Poortvliet, Sint-Maartensdijk, Middelburg en Vlissingen elk één baardze bouwen en Veere zelfs twee.

Ontwikkelde scheepsbouw

Zierikzee en Middelburg kregen specifiek de opdracht om grote baardzen te maken. Historicus Ad van der Zee meent in De Wendische Oorlog (2018) dat dit op ontwikkelde scheepsbouw kan duiden. Ook kon men zich in de Zeeuwse wateren misschien grotere diepgang permitteren. Dat laatste is nog de vraag. De Zeeuwen maakten ook later, in de strijd tegen Spanje, immers juist graag gebruik van kleinere schepen en platbodems. Dit vanwege de aard van de delta met zijn vele ondiepten, ‘verschuivende’ geulen en zandbanken.

Zeeuwen konden in elk geval goed met hun baardzen overweg. Tegen het eind van de oorlog, in 1441, kaapten vijftien baardzen onder Hendrik van Borssele op de Elbe bij Hamburg een aanzienlijk aantal koopvaarders. Vervolgens herhaalden ze dit staaltje op de Wezer bij Bremen. Middelburg liet in 1477 nog eens twee baardzen bouwen. Allereerst voor defensieve doeleinden, maar óók om het nieuwe vorstenpaar Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië ‘cierlijke’, dus in stijl, ‘te ontfangen ende in te halen’.

Een baardze lijdt schipbreuk; tekening uit ca. 1480.

Zierikzee

Zierikzee hield beide varianten van de baerse in ere. Aan het Havenplein staat het pand de Groote Roybaersse uit 1601-1605 (nu het adres van een bekende boekhandel). En aan de achterzijde daarvan, aan de Sint-Domusstraat, stond de Cleene Roybaersse (1600-1602). Maar tot op heden twisten maritiem-historische specialisten over de juiste details van het intrigerende scheepstype van de baerse, roeibaar of niet.

Literatuur

G. Asaert, J. van Beylen en H. P. H. Jansen (red.), Maritieme geschiedenis der Nederlanden dl. 1  (Bussum 1976).
Jan J.B. Kuipers, ‘Grote en kleine baersen’. Rubriek ‘Sporen in de Delta’, Provinciale Zeeuwse Courant 24 april 2019.
Jan J.B. Kuipers, De Hanze (Zutphen 2019) [verschijnt oktober 2019].
Ad van der Zee, De Wendische Oorlog. Holland, Amsterdam en de Hanze in de vijftiende eeuw (Hilversum 2018).