Scheepsmodel Krabbelaar

Door Katie Heyning

Op veel plaatsen in de wereld konden schepen eeuwenlang in diepe, natuurlijke baaien ankeren die nimmer dichtslibden. In de lage Noordzeedelta werden onze voorouders gedwongen zich met veel inventiviteit toe te leggen op de ontwikkeling van allerlei baggerwerktuigen.

Aanvankelijk werd met de hand gebaggerd met behulp van een baggerbeugel, een lange stok met aan het uiteinde een soort schepnet dat over de bodem van de haven werd getrokken. Vanaf het eind van de zestiende eeuw werkte men met zogenaamde moddermolens. Hiermee werd het slib met behulp van ronddraaiende plankjes omhooggehaald. De opgeviste bagger dumpte men vervolgens op de wal of elders in het water. Alleen bij natuurlijke getijdehavens kon men de natuur een handje laten helpen. In de Tegenwoordige Staat van Zeeland uit 1753 staat precies beschreven hoe men halverwege de achttiende eeuw de Zeeuwse havens schoon hield.

 

Scheepsmodel Krabbelaar; Museum Veere; datering: eind 18e eeuw; herkomst: Stedelijke Collectie Veere. (Ivo Wennekes)Scheepsmodel Krabbelaar; Museum Veere; datering: eind 18e eeuw; herkomst: Stedelijke Collectie Veere. (Ivo Wennekes) Afmetingen: 115 x 62 x 93 cm; materiaal: hout, ijzer, linnen, touw, glas, leer.

Krabbelaar of mol

Hiervoor gebruikte men een krabbelaar of mol, een driehoekige platgebodemde schuit met een brede achterkant. Twee draaideuren, die in geopende staat een scherpe hoek van ongeveer 145 graden met het schip maakten, vergrootten de reikwijdte van de schuit waarachter een grote egge met zware ijzeren tanden hing. Om de krabbelaar in te kunnen zetten, had men een spuibekken nodig. In Middelburg was dit het Molenwater, in Goes gebruikte men hiervoor de oude haven. Nadat men dit bekken bij hoog water vol had laten lopen, werd het met behulp van een valsluis afgesloten. Opende men deze weer bij laag water, dan stroomde het opgehoopte water met grote snelheid naar buiten en duwde de voor de sluis geplaatste krabbelaar met grote kracht door de haven terwijl de ijzeren tanden de bodem loswoelden.

Scheepsmodel Krabbelaar detail; Museum Veere; datering: eind 18e eeuw; herkomst: Stedelijke Collectie Veere. (Ivo Wennekes)Scheepsmodel Krabbelaar detail; Museum Veere; datering: eind 18e eeuw; herkomst: Stedelijke Collectie Veere. (Ivo Wennekes)

Zwaar werk

Het werken met een mol was buitengewoon zwaar. Niet alleen moesten vijf tot zes mannen de mol in de juiste baan houden, ook waren nog eens twee tot drie man nodig om het raam met de ijzeren tanden op de gewenste diepte te houden door de zware balk achterop de schuit, die de stand hiervan reguleerde, met behulp van katrollen en takelblokken omlaag of omhoog te halen. Wanneer de wind in de goede hoek stond, zal men zeker een zeiltje hebben bijgezet. Was dit niet het geval dan spande men paarden op de wal in om te helpen trekken. Het bezwaar van deze methode was dat men niet in de hand had waar de losgewoelde grond zich weer zou afzetten, waardoor ongewenste ophopingen konden ontstaan.

Scheepsmodel Krabbelaar; Museum Veere; restauratie 2007: Digna van den Broek, Navicula - Amsterdam.Scheepsmodel Krabbelaar; Museum Veere; restauratie 2007: Digna van den Broek, Navicula – Amsterdam.

Scheepsmodel in Veere

Het eikenhouten model van de krabbelaar is sinds het eind van de achttiende eeuw in het bezit van de stad Veere. Het bevindt zich in de collectie van Museum Veere (De Schotse Huizen). Of het een decoratief object was of een technisch model, is niet bekend. Scheepsmodellen waren al vroeg een geliefd bezit en worden in veel Zeeuwse boedelinventarissen uit de zestiende en zeventiende eeuw genoemd. Over het algemeen waren dergelijke modellen louter decoratief. Technische modellen waren vooral bedoeld om een bepaald type zo nauwkeurig mogelijk weer te geven of om voorgestelde vernieuwingen vantevoren te toetsen. De tekst ‘Tot nut van ’t Vaderland’ die op dit model is aangebracht, geeft ook geen uitsluitsel. Nader onderzoek in de archieven van de stad Veere kan wellicht meer helderheid verschaffen over de oorspronkelijke bedoeling van dit model. In de zomer van 1912 werden naar het Veerse model twee kopieën vervaardigd door de Arnemuidse scheepstimmerman Adriaan Siereveld. Eén hiervan bevindt zich in Rotterdam en werd samen met een hiervan afgeleid model in Zierikzee bij restauratie in 2007 gebruikt om de tuigage van het oorspronkelijke model weer op orde te brengen. Dankzij dit soort oude modellen kan eeuwen later nog inzicht geboden worden in technische ontwikkelingen uit het verleden.

Literatuur
Katie Heyning, Zeeuws Behout: Behoud van houten voorwerpen in Zeeuwse musea, Steunfonds voor de Zeeuwse Musea, Middelburg 2007.

Bekijk meer voorwerpen en documenten van de krabbelaar op de pagina Collecties.