Over pienksterblommen en paeslelies

Aan het begin van de twintigste eeuw waren er in Nederland zo’n twintig verschillende planten die allemaal ‘pinksterbloem’ genoemd werden. Iedere streektaal had zo wel zijn eigen exemplaar en onze pienksterblomme is de scherpe boterbloem. Een prima keuze eigenlijk, want de plant begint rond Pinksteren uitbundig te bloeien. Dat in tegenstelling tot de plant die officieel als pinksterbloem te boek staat, want die bloeit zo rond half april, dus al ver voor Pinksteren.

Pinken of toch Pinksteren?

De officiële Nederlandse namen zijn aan het begin van de twintigste eeuw gekozen uit een veelheid aan streeknamen. De keuze voor de pinksterbloem is dus ongelukkig geweest. Tenminste…, als de naam Pinksterbloem inderdaad verwijst naar het Pinksterfeest. Er bestaat echter ook een verklaring die verwijst naar de tijd dat de pinken weer de wei in mochten. Hoewel het tijdstip aardig klopt, komt de verklaring gekunsteld over. Er is ook een andere verklaring hoe de bloem die half april in volle bloei staat de naam pinksterbloem kon krijgen. Toen in Europa de Juliaanse kalender gehanteerd werd, viel de lente soms veel vroeger in het jaar, in de zestiende eeuw zelfs al begin maart. Omdat Pasen al lang geleden is vastgesteld op de zondag na de eerste volle maan in de lente en Pinksteren zeven weken later volgt, vielen Pasen en Pinksteren in het verleden dus ook vroeger.

Koekoeksblomme

Mooi verhaal, maar zelfs de vroegste datering van Pinksteren volgens deze kalender blijft een beetje wringen. De pinksterbloem-uit-het-boekje heet in het dialect van Midden-Zeeland koekoeksblomme. En dat klopt weer uitstekend, want de bloei valt inderdaad tegelijk met de terugkomst van de koekoek uit Afrika. Overigens wordt op Schouwen-Duiveland de harlekijnorchis, die in dezelfde tijd bloeit, als koekoeksblomme aangeduid. Beide soorten bloeien in de eerste helft van april.

Paeslelie

Naast de pinksterbloem kennen de meeste dialecten ook een ‘paasbloem’. Bij ons is dat de narcis, vanouds aangeduid als paeslelie of pae(s)se lelie. Klopt ook alweer, want de bloeitijd valt samen met de periode dat in Nederland het Paasfeest kan vallen. Die paasbloem is weliswaar geen wilde plant, maar op oude landgoederen komen we de wilde narcis tegen als zogenaamde stinzenplant. Dat wil zeggen: een plant die vanwege zijn sierlijke uiterlijk, of vanwege zijn (al of niet terecht veronderstelde) geneeskrachtige werking, in het wild werd uitgeplant. Dat gebeurde op landgoederen en rond kastelen, maar ook wel in kloostertuinen of rond adellijke boerderijen. Pas veel later werden allerlei varianten gekweekt en die kregen ook in het Zeeuwse grote populariteit als tuinplant.

Bron: ZEEUWSLANDSCHAP 29-1, 2013.