Dijkplanten op Schouwen

In het middengebied van Schouwen, rond de plaatsen Dreischor, Noordgouwe, Zonnemaire en Brouwershaven ligt de grootste concentratie aan polderdijken. Veel van deze dijken worden gevormd door zavelige en zandige grond. Hierdoor komt plaatselijk op deze dijken, weliswaar op beperkte schaal, een soortenrijke gras- en kruidenvegetatie voor, met soorten die kenmerkend zijn voor schrale grond, zoals echt walstro, akkerhoornbloem, kruisdistel en beemdkroon.

Akkerhoornbloem

Nu zeldzaam

Hoe zouden die dijken er voor de Tweede Wereldoorlog hebben uitgezien? Dus de tijd van voor het kunstmestgebruik en de tijd dat deze dijken begraasd werden door een trekkende kudde schapen of runderen. Beschrijvingen van die tijd zijn er niet. Maar uit gesprekken met oude boeren die in hun jeugd, de jaren dertig, langs die dijken naar school liepen is wel een beeld te vormen. Ze kenden planten alleen met de plaatselijke volksnamen en herinnerden zich dat er overal ‘aentjes-en-oentjes’ en ‘schoentjes-en-laersjes’ groeiden. Dat waren de nu tamelijk zeldzame soorten ratelaar en rolklaver. Ratelaar is nergens meer op de Schouwse dijken terug te vinden.

Rolklaver

Begrazing

Het trekken met schaapskudden zal voor de zaadverspreiding van dijkplanten een belangrijke factor gevormd hebben. Schapenbegrazing vond hier reeds voor de bedijkingen vanaf de 11de eeuw plaats. De schapenvacht vormde een ideaal transportmiddel voor plantenzaden. Bekijken we bijvoorbeeld in de nazomer de uitgebloeide halmen van agrimonie, dan zien we vruchtjes die geheel bedekt zijn met weerhaakjes; klaar om aan te haken op een langs schurende wolbaal. Behalve dat schapen over de Zeeuwse eilanden trokken, werden er ook schapen tot ver in het rivierengebied verhandeld, en dat stimuleerde de zaadverspreiding nog eens extra.

Agrimonie

Bloemenzee

Het moet ’s zomers voor de oorlog waarschijnlijk een bonte bloemenpracht geweest zijn op die dijken. Volksnamen ontstonden alleen als de betreffende plantensoort vrij algemeen voorkwam. Volksnamen van planten zijn nogal eens gebaseerd op de associatie die men kreeg bij het zien van de bloemen. Als je een groepje bloemen van ratelaars bij elkaar ziet is de associatie met de kammen van hanen en hennen goed te plaatsen. Overigens, natuuronderzoekers die wetenschappelijke namen aan planten en dieren geven deden niet anders. Zo is de oude wetenschappelijke naam voor ratelaar Rhinanthes crista-galli, waarbij de laatste twee woorden ‘hanenkam’ betekenen.

Ratelaar

Melk met uiensmaak

Terug naar het vooroorlogse beeld van die schrale dijkvegetaties. Men kocht in die tijd melk los in de kan bij een boer in de buurt. De melkkoeien van die boer liepen met een koeienwachter over de polderdijken. Daar kwam echter in de loop van de zomer zoveel kraailook op dat de melk erg ui-achtig begon te smaken. En dan kwamen er volop klachten. Vanaf dat moment werd de rest van de zomer op de dijken telkens een hulpjongen van de koeienwachter voor de grazende koeien uit gestuurd om zoveel mogelijk kraailook weg te plukken.

Kraailook

Vreemde grond

Voor de dijkherstelwerken na de Watersnoodramp van 1953 heeft men voor het eerst ook grond van buiten Zeeland aangevoerd. Die grond kwam, vanwege de transportmogelijkheden per schip, uit het rivierengebied. Zo kwam grond voor het dijkherstel op Schouwen-Duiveland niet alleen uit het Nederlandse rivierengebied, en dan vooral de Biesbosch, maar er werd ook klei uit het Ruhrgebied aangevoerd. Plantenkenners op Schouwen-Duiveland, zoals wijlen Jacob Viergever en J.P.C. Boot, konden in de jaren na de ramp aan de afwijkende dijkvegetatie zien waar er dijkherstel met ‘vreemde’ grond was uitgevoerd. In ieder geval twee soorten zijn zo na 1953 op de Schouwse dijken aangevoerd en blijven ‘hangen’: heksenmelk, verwant aan het algemene ‘onkruid’ kroontjeskruid en boerenwormkruid.

Boerenwormkruid

Deltawerken

Deze vorm van zaadtransport naar Zeeland heeft in de jaren zestig van de vorige eeuw een grote vlucht genomen door de aanleg van de deltadammen. ’s Zomers kan men daarom nu nog steeds op bijvoorbeeld de Grevelingendam en de Brouwersdam op vrij grote schaal plantensoorten in de brede, zandige bermen zien, die tot de jaren zestig niet of nauwelijks in Zeeland voorkwamen. Het gaat dan ook weer om soorten uit het rivierengebied. Het betreft onder andere veldsalie, breedbladige ereprijs, sikkelklaver en knikkende distel.

Knikkende distel

Bronnen: ZEEUWSLANDSCHAP 24/1 en 24/2