Meekrap- en cichoreifabriek in Capelle

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Het gebouw van de voormalige meestoof en cichoreifabriek langs de weg van Zierikzee naar Bruinisse is bijna het enige dat nog van het gehucht Capelle resteert. Het plaatsje verloor zijn kerk bij de stormvloed van 1532 en ging in zijn geheel ten onder in 1953. Het fabrieksgebouw overleefde de ramp wel. Het vertelt het verhaal van de neergang van een agrarische teelt en de zoektocht naar nieuwe lonende alternatieven.

Meestoof

Capelle was niet meer dan een gehucht toen er in 1836 een meestoof werd gebouwd. In de middeleeuwen was het nog een dorp, maar bij een stormvloed in 1532 had het zijn kerk verloren. Sinds die tijd bestond Capelle uit niet meer dan enkele straten en verspreid liggende boerderijen. De meestoof werd in 1836 opgericht door 16 kapitaalkrachtige heren. Abraham Caland, de bekende Zeeuwse waterbouwkundige, was een van hen. Hij legde de eerste steen voor het gebouw. De bouw ervan kostte 23.000 gulden. Meestoven waren ingericht voor de verwerking van de wortels van de meekrapplant. Die werden gedroogd en vermalen tot een rode kleurstof waarmee textiel werd geverfd.

Meestoof De Kapel omstreeks 1905. (Beeldbank Gemeentearchief Schouwen-Duiveland, foto P.C. van Immerzeel)Meestoof De Kapel omstreeks 1905. (Beeldbank Gemeentearchief Schouwen-Duiveland, foto P.C. van Immerzeel)

Concentratie in het noorden van Zeeland

Zeeland telde begin 19de eeuw enkele tientallen meestoven en Schouwen-Duiveland was met Tholen het onbetwiste kerngebied voor de teelt ervan. In sommige plaatsen, zoals Zierikzee, Brouwershaven en Bruinisse stonden zelfs meerdere meestoven. De concentratie van de meekrapteelt in het noorden van Zeeland had onder meer te maken met de losse structuur van de kleigrond hier, die goed water doorlaat en daardoor gunstig is voor de teelt van dit gewas. Ook waren hier over het algemeen wat grotere landbouwbedrijven met kapitaalkrachtige boeren. Een boer moest wat kapitaal achter de hand hebben, wilde hij meekrap kunnen verbouwen. Het gewas kon namelijk pas om de twee of drie jaar worden geoogst, terwijl de vaste lasten, zoals de pacht, wel betaald moesten worden.

Brand en nieuwbouw

In 1869 legde een brand een groot deel van de meestoof in de as. Nieuwbouw was noodzakelijk. Het gebouw verrees nog hetzelfde jaar en staat er nu nog. Met de meekrapteelt ging het korte tijd later echter neerwaarts. Meekrap was bewerkelijk om te produceren en ondervond daarom grote concurrentie van een synthetische rode kleurstof die in 1868 was ontwikkeld.

Cichorei

Toch hield meestoof De Kapel het nog tot 1914 uit. Toen werd het gebouw verbouwd tot een cichoreifabriek. Deze werd in 1917 in gebruik genomen. De Kapel was niet de enige meestoof die dit lot onderging. Ook de meestoof in Nieuwdorp werd omgebouwd tot cichoreifabriek. Cichorei werd na de Tweede Wereldoorlog in Zeeland vooral geteeld vanwege de bladeren. We kennen de plant nu als witlof. De witte bladeren ontstaan als de cichoreiwortels in het donker uitlopen.Maar vóór de oorlog werd cichorei vooral geteeld vanwege de wortels. Daarvan werd surrogaatkoffie (of ‘peekoffie’) gemaakt. De iets bitter smakende peekoffie was een alternatief voor de veel duurdere ‘echte’ koffie en was daarom met name in de crisis- en oorlogsjaren erg populair.De dikke, witte cichoreiwortels werden gedroogd, gemalen en gebrand. Samen met andere ingrediënten, zoals gerst, erwten, bonen en eikels, kon er surrogaatkoffie van worden gemaakt. Peekoffie wordt nog weleens verward met Buisman, de bekende smaakversterker voor koffie. Buisman bestaat echter uit gebrande suiker en was een alternatief voor de bitter smakende cichorei.

Bestemmingen

Ook de cichorei verdween weer uit het fabrieksgebouw in Capelle. In 1937 kwam er een einde aan de NV Drogerij-Malerij De Kapel, die overigens ook een fabriek in Haamstede had. Het gebouw in Capelle had daarna nog verschillende bestemmingen. Zo werden er groenten gedroogd, vlaszwingelcursussen georganiseerd en aanhangwagens en trailers verkocht.

Weggevaagd

Het gehucht Capelle bestond tot begin jaren vijftig uit een straat met wat arbeidershuisjes, een café en een winkel. Oudere bewoners herinneren zich nog hoe arbeiders in een enorme hitte de cichorei verwerkten. De watersnoodramp van 1953 vaagde Capelle weg. Niets werd daarna nog opgebouwd – een doelbewust besluit van planologen en beleidsmakers die belast waren met de herinrichting van Schouwen-Duiveland na de ramp. De Kapel overleefde de stormvloed wel en staat er tot op de dag van vandaag. Ook in Noordgouwe staat nog een meestoof: de Willem III, die in 1863 was gebouwd. Zij zijn de enige meestoven die op Schouwen-Duiveland bewaard zijn gebleven, al zijn beide niet meer authentiek.