Landgoederen en buitenplaatsen

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

De Tuin van Zeeland, zo werd Walcheren ooit genoemd. Die benaming dankte het eiland aan het grote aantal buitenplaatsen dat er in de 17de en 18de eeuw werd aangelegd. Op het hoogtepunt van de buitenplaatscultuur was een achtste deel van de grond op Walcheren hiervoor in gebruik. Ook in andere delen van Zeeland kwamen buitenplaatsen voor, vooral op Schouwen.

Achterzijde van slot Ter Hooge in Middelburg. Tekening door Jan Arends, 1785. (Beeldbank Zeeuws Archief, collectie Zeeuws Genootschap)

Zomerverblijven

Vrijwel altijd waren het rijke patriciërs die zich een buitenverblijf aanmaten. Zij hadden een vermogen vergaard met inkomsten uit de handel en grondbezit. Soms was het buiten niet meer dan een herenkamer op een boerderij, soms een middeleeuws kasteel dat al generaties in de familie was en soms een schitterend verblijf dat nieuw was gebouwd volgens de geldende mode in de architectuur. Aan de rand van de steden stonden veelal wat kleinere buitenhuizen.

De zomerverblijven dienden om de stinkende stad te ontvluchten, maar waren bovendien bedoeld als statussymbool en als een manier om geld te beleggen. Met de opbrengsten uit de houtkap, moestuin en boomgaard verdienden de eigenaren nog wat van hun investering terug.

Het buiten Den Dolphijn bij Middelburg, met het pad dat uitzicht bood op de Abdijtoren in de stad. Tekening Jan Arends, 1777. (Beeldbank Zeeuws Archief, collectie Zeeuws Genootschap)

Europese mode

Voor de architectuur en tuinaanleg van de buitenplaatsen lieten de bouwheren zich inspireren door wat in de mode was. Europese invloeden sijpelden zo ook in de Walcherse buitens door.

De eerste buitens hadden tuinen die in een formele stijl waren aangelegd. Met zo’n geometrisch aangelegde tuin kon de eigenaar status inleggen; hij liet daarmee zien op de hoogte te zijn van de laatste mode. Na het midden van de 18de eeuw kwam een nieuwe voorkeur op: de landschapsstijl. De rechte lanen en strakke hagen maakten plaats voor golvende paden en slingerende vijvers. Bomen en struiken werden minder gesnoeid, ze kregen de vrije hand om door te groeien.

In de tuinen kwamen ook andere elementen: hertenkampen, grotten en cascades en soms een hermitage, een nagebouwde kluizenaarswoning. In speciaal daarvoor gebouwde koepelgebouwtjes, die regelmatig een Chinees uiterlijk kregen, kon thee worden gedronken. Van oorsprong hadden de buitenplaatsen ook een oranjerie, waar tropische planten werden gekweekt, die daar ook de winter doorbrachten.

Neergang

In de loop van de achttiende eeuw kwam aan de buitenplaatscultuur op Walcheren een einde. Veel buitens werden verkocht voor de sloop, de tuin- en bosgronden werden omgezet in landbouwgrond. Uit de tijd van het ‘arcadische’ Walcheren zijn nog maar weinig buitenplaatsen over.

Slot Ter Hooge aan de Koudekerkseweg in Middelburg. (Beeldbank SCEZ)

Later, in de 19de eeuw deed zich een nieuwe bloei van de buitenplaatsen voor, met name in de Manteling op Walcheren, maar qua omvang was deze bescheidener dan de vorige bloeiperiode.

De maand augustus van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed staat in het teken van ‘Landgoederen en buitenplaatsen’.

Lees meer over het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed.

Het Gemeentearchief Goes en Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband besteden ook aandacht aan dit thema.

(Foto header: Het buiten Sint Jan ten Heere bij Domburg. Tekening door Jan Arends, 1777. Beeldbank Zeeuws Archief, collectie Zeeuws Genootschap)