Schoolbank

Door Katie Heyning

‘Armen over elkaar en rechtop’, deze kreet zal nog velen bekend voorkomen. Aandacht voor een goede zithouding op school hield de gemoederen vooral in de negentiende eeuw bezig. Tot 1800 was er nauwelijks aandacht besteed aan de schoolomgeving. Pas daarna werden klachten over veel te lage en bedompte lokalen serieus genomen en werden van hogerhand richtlijnen voor de inrichting van het schoollokaal opgesteld. In 1818 werd een brochure met aanbevelingen uitgebracht. Het ideale lokaal lag op het oosten en had voldoende ramen. Er was een fatsoenlijke kachel, papieren rolgordijnen werden aangeprezen als zonwering en tegen het naar buiten kijken. Regelmatig ventileren zou ervoor zorgen dat de kinderen beter bij de les bleven en leerlingen moesten zo zitten dat de onderwijzer zijn schare goed kon overzien. Het bleven echter aanbevelingen. Pas in 1857 werd de inrichting van schoollokalen bij de wet geregeld.

Prentbriefkaart meisjes in schoolbank circa 1950. (ZB, Beeldbank Zeeland)Prentbriefkaart meisjes in schoolbank circa 1950. (ZB, Beeldbank Zeeland)

De brochure van 1818 raadde ook aan de losse banken zonder leuningen en grote tafels die al eeuwen gebruikt werden, te vervangen door banken met leuningen, voetenplank en een schuin schrijfblad. Ook werd aanbevolen rekening te houden met de lengte van de leerlingen. Voor de oudste kinderen werd een bank van ongeveer 2.40 meter met ruimte voor vijf leerlingen ideaal geacht, iets kleinere kinderen konden met z’n achten of tienen samen in een bank van 3.90 meter, vier van de allerkleinsten dienden een bank van 1.55 meter te delen. Nu het klassikale systeem was ingevoerd, betekende dat rijen schoolbanken, strak in het gelid en gericht op het schoolbord aan de muur. Vernieuwingen bleven niet uit. Tien jaar later kregen de schrijftafels bergplanken voor boeken en schriften en verschenen er inktpotten in het bovenblad.

Diverse medici bekommerden zich in de tweede helft van de negentiende eeuw om de meest verantwoorde schoolbank. Dr. Samuel Coronel, die enige jaren als stadsarts in Middelburg werkte, wees er in 1870 op dat kinderen die verkeerd zitten, sneller moe worden en dat opvallend veel leerlingen last hadden van ‘scheeve ruggen, hooge schouders en bijziende oogen’. Om ‘ruggegraatsverkromming’ te verkomen, moesten de schoolbanken volgens hem verbeterd worden. Deze moest wat maat betreft bij de leerling passen, een rugleuning hebben en kinderen moesten ‘zoo ruim zitten, dat zij elkanderen in hun werk niet hinderlijk zijn’. Drie of vier leerlingen in één bank werd niet langer goed geacht en steeds meer tweepersoons bankjes van hout of gietijzer kwamen nu op de markt. In plaats van drie maten waren rond 1900 wel acht verschillende maten verkrijgbaar, die vaak ook nog op allerlei manieren verstelbaar waren. Ook kwam in de twintiger jaren meer aandacht voor de esthetische kant van de schoolbank. Men vond het belangrijk dat kinderen op school gevoel voor lijn en kleur ontwikkelden en waar beter te beginnen dat men de inrichting van het schoollokaal! De nieuwe onderwijsideeën van Montessori en Fröbel leidden tot nieuwe opstellingen en meer flexibiliteit. Tot 1960 zou de tweepersoonsbank het meest gebruikte type blijven, daarna werden zij overal vervangen door losse tafels en stoelen die beter pasten bij de nieuwe onderwijsmethoden.

Schoolbank, midden 20ste eeuw (Streekmuseum De Meestoof, Sint-Annaland, foto Ivo Wennekes) Afmeting: 167 x 40 x 63 cm; materiaal: beukenhout, ijzer, messing; herkomst: particuliere schenking, 2005; restauratie: Riaan Rijken – Koudekerke, 2007.

Het hier getoonde schoolbankje van Streekmuseum De Meestoof werd gemaakt door de Belgische firma Jong en komt mogelijk uit een school in Middelburg. Er is ruimte voor het opbergen van boeken en schriften, het schrijfblad heeft een pennengleuf en een uitsparing voor een inktpotje. De stoel kan – evenals het ontbrekende voetenbankje – versteld worden. Het uitstekende stuk van het blad ondersteunt de rechterarm bij het schrijven. Vooral dan neemt een kind een geforceerde houding aan: de rechterarm en daarmee de schouder wordt hierbij krampachtig omhoog gehouden. De hellingshoek van het schrijfblad heeft steeds voor veel discussie gezorgd. Nog in 1981 verschenen naar aanleiding van een nieuw model, waarbij hoogte en hellingshoek van het tafeltje traploos en onafhankelijk van elkaar kon worden versteld, diverse stukken in de pers over de meest ideale zithouding in de klas.

Literatuur
Katie Heyning, Zeeuws Behout: Behoud van houten voorwerpen in Zeeuwse musea, Steunfonds voor de Zeeuwse Musea, Middelburg 2007.