Schilderskist Maurice Góth

door Katie Heyning
verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

In de schilderskist waarmee Maurice Góth tijdens zijn leven werkte, liggen ongeveer veertig tubes van verschillend formaat uit verschillende landen en van verschillende merken. Een draagband maakte het hem mogelijk de kist mee naar buiten te nemen. Op oude foto’s is te zien dat hij de kist, die met een scharnier in verschillende standen kon worden gezet, ook als ezel gebruikte. Zijn doek zette hij dan met twee pennetjes en een schuifje in de klep vast. Van wie Góth zijn kist betrok, is onbekend. De sticker die de Haagse leverancier aan de binnenzijde van de klep plakte, is helaas onleesbaar geworden. De schilderskist bevindt zich in de collectie van het Marie Tak van Poortvliet Museum in Domburg.

Schilderskist van Maurice Góth, 1e helft 20e eeuw, Marie Tak van Poortvliet Museum, Domburg. (Ivo Wennekes) Afmetingen: 37 x 26,8 x 8 cm; materiaal kist: mahonie- en grenenhout, ijzer, messing; herkomst: particuliere schenking; restauratie 2007: Stefan Schelling, Kamperland.

Maurice Góth werd op 2 maart 1873 geboren in Hongarije en kreeg zijn opleiding in Wenen, München en Parijs. In de zomer van 1914 werd hij in de Belgische badplaats De Panne overvallen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Met achterlating van al zijn materiaal vluchtte hij naar Zeeland, waar hij in Middelburg de kunstenaar Jan Toorop ontmoette die hem aanraadde naar Domburg te gaan. Daar bracht hij de daaropvolgende jaren met zijn vrouw en dochter door en nam hij regelmatig aan de jaarlijkse tentoonstellingen deel. Ook na de oorlog bleven de mooie luchten en het bijzondere licht aan de Zeeuwse kust trekken. In 1929 vestigde hij zich definitief met zijn gezin in Veere. In 1943 werd hij gedwongen naar Amsterdam te verhuizen waar hij in 1944 overleed.

Maurice Góth met zijn schilderskist aan de Zeeuwse kust, circa 1920.

Maurice Góth was een kind van zijn tijd en werd beïnvloed door het impressionisme, een stroming in de schilderkunst waarbij het realisme werd afgezworen en elke weergave een impressie moest zijn. Schilders waren sinds 1870 steeds meer buiten gaan schilderen in plaats van in hun atelier en hadden behoefte aan materiaal dat gemakkelijk was mee te nemen. Tegenwoordig kopen we verf kant en klaar in blik, tube of spuitbus, maar tot diep in de negentiende eeuw was dit niet mogelijk. Kunstenaars kochten de benodigde verfstoffen in droge vorm bij de apotheker en mengden de pigmenten zelf met olie in de gewenste hoeveelheid aan. De droge verfstoffen werden in kleine hoeveelheden in flesjes, doosjes of zakjes van varkensblaas in schilderskisten bewaard die varieerden van eenvoudige, praktische dozen tot fraaie exemplaren als de met voorstellingen beschilderde zeventiende-eeuwse schilderskist in de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam of  het “chineesch verwkistje van mahonijhout met schuifjes waarin een aantal doosjes met drooge verwen” van de Middelburgse schilderes Jacoba van de Perre.

Inhoud schilderskist Maurice Góth, 1e helft 20e eeuw, Marie Tak van Poortvliet Museum, Domburg. (Foto Ivo Wennekes.) Circa 40 tubes van verschillend formaat uit verschillende landen en van verschillende merken.

In de praktijk gebruikte de kunstenaar eeuwenlang drie blauwen, zes roden, zes gelen, drie groenen, twee witten en vier zwarten. Pas in de loop van de negentiende eeuw kwam dankzij de groeiende chemische industrie verandering in dit scala. Kort na 1830 kwamen synthetische pigmenten op de markt, rond 1845 begon men koolteerstoffen als kleurstof te gebruiken. Tegen 1850 beschikte men over meer dan zeshonderd kleurnuances. Het grootste probleem bleef echter het uitdrogen van de verf. Olieverf droogt immers door oxidatie, een proces dat begint zodra het in aanraking komt met lucht. De revolutionaire vinding waarop in 1841 door de Amerikaanse schilder Johan Rand patent werd gevraagd – een tinnen, oprolbare en perfect sluitende huls voor het bewaren van olieverf – bleek een gat in de markt. Vanaf 1860 was verf alom in tubevorm verkrijgbaar. Het eindeloze gerommel met potjes, schelpen en pigmenten was voorbij. De verfindustrie zorgde nu in razend tempo voor een arsenaal aan goedkope verfstoffen in tinnen of loden tubes. In de eerste jaren eisten lood, kwik en arsenicum houdende verf nog veel slachtoffers onder de gebruikers, maar na 1890 kwam meer aandacht voor de kwaliteit van het materiaal en kon men met een gerust hart buiten aan het werk.

Werk van Maurice Góth bevindt zich in buiten- en binnenlandse museumcollecties, waaronder die van het Gemeentemuseum in Den Haag, het Centraal Museum in Utrecht en in Zeeland het Marie Tak van Poortvliet Museum.

Literatuur 
Katie Heyning, Zeeuws Behout: Behoud van houten voorwerpen in Zeeuwse musea, Steunfonds voor de Zeeuwse Musea, Middelburg 2007.

Bekijk werken van Maurice Góth op de pagina Collecties.