Gereformeerde predikanten en vrome Zeeuwen

De Republiek was rond 1600 nog jong en datzelfde gold voor de gereformeerde godsdienst. Zeeuwse predikanten als Willem Teellinck, Godefridus Udemans en Jacobus Koelman wilden de gereformeerde religie als de ware kerk in de Republiek vestigen. Ze bestreden de leer van andere religieuze gezindten en vroegen de overheid wetten te maken die in overeenstemming waren met de gereformeerde leer en die deze ook beschermden. Ook spraken ze de gelovigen rechtstreeks aan om hen tot een vrome levenswandel te bewegen.

Detail schilderij De Zielenvisserij van Adriaen van de Venne, 1614 (Rijksmuseum Amsterdam). Een allegorie op de ijver van protestanten en katholieken tijdens het Twaalfjarig Bestand. Dit detail toont de protestantse Noord-Nederlanders die naar zielen vissen.

Zeeland was eind zestiende eeuw een knooppunt van internationale handel. De Zeeuwse steden groeiden snel. Vanuit alle windstreken bereikten nieuwe ideeën het gewest. Het religieuze leven in Zeeland was als gevolg daarvan versplinterd geraakt. Bovendien bleef een aanzienlijk deel van de bevolking aanvankelijk de katholieke kerk trouw. In deze onzekere tijden bepaalde de zoektocht naar de waarheid over de Bijbel het religieus leven. Zeeland liep in de Nederlanden aan kop in het confessionaliseren van de samenleving. Dat wil zeggen dat Zeeuwse predikanten het gedrag en de mentaliteit van de bevolking naar de nieuwe gereformeerde opvattingen gingen beïnvloeden.

Landspolitiek

Predikanten en regenten volgden met de Bijbel in de hand de landspolitiek. Ze vonden dat de staat de ‘ware’ godsdienst moest beschermen. Daartoe dienden ze hervormingsvoorstellen in bij de Staten van Zeeland. Zo spoorden ze de bestuurders aan om gereformeerde wetgeving te maken. Tegelijkertijd vonden ze dat de staat zich niet moest inlaten met theologische en zuiver kerkelijke zaken. Ze veroordeelden menselijke berekening en machtsdenken. Die beschouwden ze als een verloochening van God die de Republiek zijn bijzondere gunst had getoond.

Gereformeerd offensief

De predikanten wilden de openbare orde confessionaliseren. Ze vonden dat in Zeeland alleen de gereformeerde religie moest worden toegestaan. Nieuwe predikanten moesten worden opgeleid. Het onderwijs moest op gereformeerde leest worden geschoeid. En de Zeeuwen moesten een vromer leven gaan leiden. Prediking, catechese en tuchtoefening konden dat bevorderen. Kerkdiensten en kerkelijke vieringen gaven het openbaar leven vorm. In het bijzonder de avondmaalsviering, waaraan een huisbezoek voorafging, was een middel om scherpe controle uit te oefenen op de geloofsovertuiging en leefwijze van de lidmaten.

Vrome levenswandel

De predikanten constateerden dat de leefstijl van veel kerkgangers de Bijbelse toets niet kon doorstaan. Ze concludeerden dat de harten nog ongereformeerd waren en spraken in dat geval van naam- of schijnchristendom. Ze bestreden zonden als onkunde, misbruik van Gods naam, overdaad in maaltijden en kleding, opschik, dansen, kaarten, dobbelen, toneelspel, dronkenschap, woeker, onkuisheid, ontheiliging van de zondag en verzuim van de kerkdiensten.

De gereformeerde predikanten keerden zich tegen het in hun ogen losbandige gedrag van gelovigen. Tafereel in een herberg in Vrouwenpolder, getekend door A. Dillens, circa 1874 (ZB, Beeldbank Zeeland).

De gereformeerde predikanten richtten zich tegen zondige uitingen van volkscultuur, maar ze spaarden ook de libertijnse levenswijze van de elite niet. Veroordelingen werden dan ook zonder aanzien des persoon geuit.

In stichtelijke werken gaven predikanten het volk praktische richtlijnen voor een gereformeerde levenswandel. De Middelburgse schoolmeester Johannes de Swaef (1594-1653) publiceerde in 1621 een Nederlandstalig opvoedkundig handboek, speciaal bedoeld voor ouders. Koelman, predikant in Sluis, schreef een soortgelijk werk. Voor zeelieden werden speciale zeemansvademecums met preken en gebeden gemaakt.

Titelpagina van een gedichtenbundel van Johannes de Swaef (ZB, Beeldbank Zeeland).

Volgens de predikanten waren de volgende zaken van groot belang voor het christelijk leven: het horen en lezen van de Bijbel, de sacramenten, gebed, persoonlijke meditatie, de heilige samenspraak, het zingen, het vasten en een strikte naleving van de zondagsheiliging. Ook het helpen van armen en andere in nood verkerende geloofsgenoten en het bezoeken van zieken maakten deel uit van een christelijke levensstijl.

Kerkgangers op zondag in Veere, circa 1964 (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen).

Literatuur en kunst

De opvattingen van de eerste generatie reformatoren in Zeeland werkten door in de literatuur en kunst. Het gehele oeuvre van Jacob Cats heeft sterk piëtistische trekken en dat is te danken aan Willem Teellinck. In Zierikzee was Adriaan Hofferus (1589-1644) de representant van dit gedachtegoed. De Terneuzense predikant Petrus Hondius publiceerde de Moufe-schans. En het werk van de Veerse dichter en goudsmid Cornelis Udemans (neef van de Zierikzeese predikant) vertoont een piëtistisch gehalte dat te vergelijken is met het werk van Cats.

Nadere Reformatie

Velen kennen de gereformeerde vernieuwingsbeweging die begin zeventiende eeuw inzette als de Nadere Reformatie. Maar historici zien de Nadere Reformatie niet langer als een aparte vroomheidsbeweging binnen de kerk. De ideeën van Teellinck, Udemans en Koelman spraken veel meer predikanten en leken aan. En ook in het buitenland werden in de zestiende en zeventiende eeuw discussies gevoerd over de interpretatie van de Bijbel en de juiste betekenis van Gods woord. Zeeuwse predikanten hadden veel contacten met Engelse en Schotse puriteinen. De ‘reformation of manners’ was een Europees verschijnsel. Koelman vertaalde dit begrip als ‘Nadere Reformatie’ en werd zo degene die deze naam als eerste gebruikte.

Literatuur 
Fred van Lieburg, Een eiland na de Reformatie, Schouwen-Duiveland 1572-1700, Amsterdam 2011. 
Arno Neele e.a., Religie en cultuur, in: Paul Brusse en Wijnand Mijnhardt, Geschiedenis van Zeeland, dl. II; 1550-1700, Utrecht/Zwolle 2012.