De Harige Oorlog

door Jan Kuipers

In de jaren zestig van de twintigste eeuw kwam de mode van het lange haar bij jongens en jongemannen op, die voor veel commotie zorgde. Velen herinneren zich nog de Nederlandse actie en het grammofoonplaatje ‘Beter langharig dan kortzichtig’ van Peter J. Muller (1965). Maar het ging om een kwestie die de Nederlandse gemoederen al eerder in beweging had gebracht. Tussen 1640 en 1645 woedde een hevige controverse, die bekend bleef onder de naam ‘Harige Oorlog’ en waarbij Zeeland zeer betrokken was.

Hoes van Beter langharig dan kortzichtig, 1965.Hoes van Beter langharig dan kortzichtig, 1965.

Molensteenkraag

De periode 1625-1640 staat bekend als de Hollandse barok. Een kenmerk ervan was dat de kleding van de man minder stijf en kleuriger werd; een ontwikkeling die al omstreeks 1600 had ingezet. Voor veel burgers moet het in deze tijd een enorme opluchting zijn geweest dat de ‘molensteenkraag’, een ornament waarin je het hoofd nauwelijks kon bewegen, van het toneel verdween. De molensteen- of lubbenkraag was een breed uitstaande, geplooide en gesteven kraag, hoog om de nek gedragen. Zowel man als vrouw werden door dit oorspronkelijk Spaanse kledingstuk gekweld. Het verdwijnen van de kraag had tot gevolg dat de mannen hun haar tot schouderlengte lieten groeien, zoals tot ongeveer 1525 ook gebruikelijk was geweest.

Volgens sommige calvinistische voormannen was de nieuwe modegril hoogst bedenkelijk. Tijdens de Zuid-Hollandse synode te Gouda in 1640 werd gesproken over toenemende zedenverwildering en ‘wilt hayr van mans ende vrouwen’. Men vond zelfs dat modebewuste kerkleden maar van het heilig avondmaal moesten worden uitgesloten.

Portret van een vrouw met molensteenkraag, door Frans Hals, 1635 (Rijksmuseum, Amsterdam).Portret van een vrouw met molensteenkraag, door Frans Hals, 1635 (Rijksmuseum, Amsterdam).

Nadere Reformatie

In Zeeland zorgde de kwestie voor grote onrust. Hier was in het begin van de zeventiende eeuw de Nadere Reformatie ontstaan, een kerkelijke beweging die vanuit Zeeland het hele land zou bestrijken. De Nadere Reformatie wilde de beginselen van de Hervorming aanscherpen, en het volksleven ermee te doordrenken. Mede hierdoor is in Zeeland vrij weinig van de oude volksgebruiken overgebleven. Nu bekende predikanten als Udemans en Borstius zich zo druk maakten over de haardracht moest de Zeeuwse bevolking wel aannemen dat ongebreidelde haargroei zeer zondig en onnatuurlijk was. Dat het mannelijk haar uit zichzelf zo ontstellend kon doorgroeien werd echter door geen enkele tegenstander van de nieuwe mode afdoend verklaard. Was zo’n lang zwierig kapsel dan toch niet zo onnatuurlijk als men beweerde?

Boxhorn

Marcus Boxhorn, auteur van een destijds befaamde kroniek van Zeeland, toonde in 1644 in een tweetal anonieme en ironische werkjes (beide met als hoofdtitel Spiegeltien) aan dat juist het lange haar traditioneel Hollands en Zeeuws was, en het korte kapsel ontleend aan vreemden. Wie moest men geloven? De Zoutelandse, later Middelburgse predikant Enoch Pottey verbond hel en verdoemenis aan het dragen van lang haar. De verwarring bleef toenemen, mede door het feit dat sommige predikanten ook zelf de mode van het lange haar gingen navolgen. De verdeling van de kerk werd tenslotte dermate ernstig dat de wereldlijke overheid zich met de zaak ging bemoeien. Herhaaldelijk werd de predikanten gemaand om nu eens op te houden over de haardracht.

De langharige Marcus Boxhorn op een gravure uit de achttiende eeuw.De langharige Marcus Boxhorn op een gravure uit de achttiende eeuw.

Lang haar als norm

Uiteindelijk bleek dat de kerk de strijd tegen de mode had verloren. In alle volksklassen overwon het lange haar. Op portretten van bekende vaderlanders is dit aardig te zien; portretten van de Vlissingse zeeheld Michiel de Ruyter in chronologische volgorde tonen dat ook hij met de mode van het lange haar is meegegaan. Overigens werd in Middelburg nog in 1670 door de kerkeraad besloten om te letten op personen die het haar uitzonderlijk lang droegen en deze lieden desnoods van het heilig avondmaal uit te sluiten. Maar omstreeks 1675 had de pruik ingang gevonden en was de Harige Oorlog echt afgelopen. De ironie wilde dat juist veel predikanten volhardden in het dragen van lang haar, toen dit al lang weer uit de mode was. Ook nu wilden zij weer niet met een modeverschijnsel meegaan. Zo bleek alsnog dat het hen om abstracte principes ging, en niet om de haardracht op zich.

Literatuur

Jan Kuipers, Dwaallichten in de Delta. Volksverhalen, schedels en schatten en andere wetens- en merkwaardigheden uit het Zeeuwse (Goes 1988), 5-8: ‘De Harige Oorlog: predikanten in beroering’.