Boemannen en bloedkarossen

verhaal Tiny Polderman

Kinderen werden vroeger bang gemaakt met een ‘kinderschrik’, die naar believen tijdens de opvoeding werd ingezet om kinderen weg te houden van gevaar, ze normen en waarden bij te brengen of anderszins gewenst gedrag te laten vertonen.

Volksprent met afbeelding van een 'tongesnaier', die een leugenaar de tong afsnijdt. (Collectie Rijksmuseum)Volksprent met afbeelding van een ‘tongesnaier’, die een leugenaar de tong afsnijdt. (Collectie Rijksmuseum)

Kinderschrik

Kinderen werden bang gemaakt voor het water, het bos, de duisternis en de gewassen op het land. Boemannen wachtten hen daarin op. In de 18de en 19de eeuw werd, vooral in (Oost-Zeeuws-)Vlaanderen, het verhaal van de ‘boekaros’ (bloedkaros) verteld. Kinderen die niet op tijd thuiskwamen, zouden in de koets worden meegenomen en daarin worden gedood. Hun bloed zou aan een vreemde koningin worden aangeboden. In hetzelfde gebied ging het verhaal van de ‘teênensnaier’, een korengeest, die de tenen afsneed van kinderen die door het hoge graan liepen. Dit werd verteld zodat kinderen niet door de gewassen op het land zouden lopen en deze zo zouden vertrappen.

Kinderen werd met behulp van een kinderschrik afgeleerd om door het graan te lopen. (Foto Ben Biondina, DNA-Beeldbank Laat Zeeland Zien)Kinderen werd met behulp van een kinderschrik afgeleerd om door het graan te lopen. (Foto Ben Biondina, DNA-Beeldbank Laat Zeeland Zien)

Watergeesten

Ook watergeesten (‘nekkers’) waren een effectief opvoedingsmiddel om kinderen te waarschuwen voor gevaar. In regen- en welputten, sloten, kanalen en andere wateren huisden volgens de verhalen griezelige figuren die kinderen naar beneden trokken, waardoor ze zeker zouden verdrinken. Zulke figuren waren bijvoorbeeld Jan ’Aek en Ooszepik.

Osschaart

En dan was daar nog de Osschaart. Oorspronkelijk een watergeest, waarmee ouders dreigden om hun kinderen ervan te weerhouden dicht bij het water te spelen. De Osschaart ontwikkelde zich tot  een geest die allerlei gedaanten kon aannemen, maar zich vaak vertoonde als een grote zwarte hond met een rammelende ketting om de nek. Hij kon op de rug van een voorbijganger springen en daar uren achtereen blijven zitten. De drager kreeg hem er niet vanaf gejaagd en moest de Osschaart noodgedwongen meetorsen. Die kneep intussen de keel van zijn drager half dicht. De slachtoffers waren meestal dronkaards die ’s nachts uit het café kwamen, of verdwaalde reizigers. Soms was de Osschaart een paard die voor een ploeg was ingespannen. Ploegen met de Osschaart was overigens geen succes. De voren op de akker draaiden zich allemaal weer om.

Lees meer over boemannen en bloedkarossen in het verhaal van Tiny Polderman.