Alven

verhaal Tiny Polderman

Vroeger boezemden de natuur, de duisternis en de verlatenheid ontzag in. Het wemelde zowel in Zeeland als elders van alven, meerminnen, vrouwen zonder hoofd, witte wijven en spookhonden, die, meestal in het duister, ronddoolden.

Geesten

De vier elementen, water, aarde, vuur en lucht hadden allemaal zo hun eigen demonen. Tot de watergeesten behoorden de meerminnen en de ‘nekkers’ (=waterduivels) als Jan of Piet Haak; onder  de vuurgeesten werden onder meer dwaallichten geschaard. Van de talrijke luchtgeesten was in Zeeuws-Vlaanderen Osschaart de bekendste, maar door het waterrijke landschap daar is men hem als watergeest gaan beschouwen. Verder waren er korengeesten als tenen- en tongensnijder en spookverschijningen als de witte juffers, zwarte dame, die men eveneens onder de luchtgeesten kan  onderbrengen. Kinderen werd gedreigd met deze wezens om ze goed en fout bij te brengen. Ook sommige ziekten als koorts, kiespijn of de hik werden als demonen beschouwd, die men door bijvoorbeeld het uitspreken van een formule dacht te kunnen bezweren. Dat is tot op de dag van vandaag overgeleverd. Wie kent er niet het liedje: ‘Ik sprik, ik sprouw, ik geef de hik aan jou. Ik geef de hik aan alleman, die de hik verdragen kan’.

Tot de aardgeesten behoorden de dwergen en de reuzen. Verder waren daar nog de boosaardige gevleugelde alven of elfen, die op de loer lagen als kinderen niet voor donker thuis waren. Veel Zeeuwen wezen de vliedbergen aan als woonplaats van het elfen- of alvenvolkje.

Het woord ‘alf’ is verwant aan ‘elf’. In de volksoverlevering wordt de alf dikwijls verward met aardmannetjes of kabouters. In het zuiden van ons land, met name Limburg, worden kabouters of aardmannetjes wel ‘alvermannekes’ of ‘auvermannetjes’ genoemd. Juist deze zijn weer meer verwant aan ‘onstoffelijke’ wezens als alven en elfen.

Vroeger werd gedacht dat een alf een geest in de lucht was, in het water, of waar dan ook in de natuur. Er waren lichtalven (elfen) en donkeralven. In de veertiende eeuw schrijft ene ‘broeder Geraert’ in zijn werk Natuurkunde dat alven duivelse wezens zijn: ‘Duvele die sijn in die lucht, Coubouten, alven, nickers, maren.’ Jacob van Maerlant noemt het bedrog van alven ‘elfsgedroch’, als
synoniem voor tovenarij.

Van den alf verleid

In Zeeuws-Vlaanderen kon je ‘van den alf verleid’ worden: dan werd je gedwongen in het pikkedonker rond te dwalen. Nacht en ontij waren echter geen absolute voorwaarden voor een ervaring met alven. Een in 1910 opgetekend verhaal meldt de ervaring van een vrouw uit Graauw, die naar de markt van Hulst was gegaan en daar alles in het stadje voor haar ogen zag veranderen, zodat ze niets meer herkende. Ze zag onbekende straten en mooie, maar onbekende winkels en vreemde gezichten. Urenlang dwaalde ze door de straten van Hulst, op zoek naar een van de poorten om te kunnen ontsnappen. Pas toen ze zich doodmoe en wanhopig op de stoep liet neervallen, werd alles weer normaal – ze was ‘van den alf verleid’. Gaan zitten is een probaat middel om zich aan de invloed van de alf te onttrekken.

Het verschijnsel was zo wijd verspreid en algemeen bekend, dat er diverse, enigszins verbasterde, benamingen voor bestonden: ‘van den (h)als verleed’, ‘van den alt geleed’, ‘van den (h)elft verleed’ of ‘van den elle verleed’. Het begrip kreeg door de jaren heen ook een ruimere, abstractere betekenis: als iemand zo dronken was dat hij zijn huis niet meer kon vinden, beweerde hij ‘van den elle
verleed’ te zijn.

Yerseke Moer (beeldbank.zeeland.nl, foto Eddy Westveer).

Yerseke Moer (beeldbank.zeeland.nl, foto Eddy Westveer).

Vooral uit Zuid-Beveland zijn verhalen overgeleverd van mensen die daadwerkelijk dansende elfen hebben gezién, waarbij ze soms uit een geheimzinnige elfenbeker dronken. Het betrof vooral boerenknechten die zich verslapen hadden of die een ongeoorloofd bezoek aan een meisje hadden gebracht. Zo beleefde in de jaren twintig een jongeman uit Yerseke een zonderling avontuur. Elf kleine gedaanten, in blinkend witte gewaden (elf elfen dus), tilden hem plotseling op toen hij langs de mispelboom bij het dorp liep. Alsof hij zo licht als een veertje was zweefden ze met hem over de sloten en begonnen in een weiland met hem te dansen, tot hij er uitgeput bij neerviel. De volgende morgen zag hij aan de donkergroene kleur van het gras waar de danspartij was geweest.

Een paardenknecht uit Kapelle, Thomas de Klerk, was ook eens getuige van lichtzinnig elfengedans, maar wist tijdig aan deelname te ontkomen. Elke dag moest hij voor dag en dauw opstaan. Op een ochtend had hij zich verslapen, waardoor hij zich moest haasten. Toen hij bij de wei kwam waar hij de paarden moest halen, zag hij een kring van elfen, dansend en huppelend op het jonge
gras, daarbij vrolijk drinkend uit een beker, die rondging in de kring. Toen de elfen de jongen zagen, vluchtten ze niet weg maar kwamen juist op hem af en gaven hem de beker om uit te drinken. Dat durfde hij niet te weigeren en hij de nam de beker aan, en sprak de woorden: ‘Vooruit dan, in Gods naam!’, voordat hij hem aan de lippen wilde zetten. Hij was nog niet uitgesproken, of de elfen waren verdwenen, hem achterlatend met de beker; het woord ‘God’ is voor elfen namelijk onverdraaglijk. De beker bleef nog lang in de familie en velen beweren hem gezien te hebben.

Volgens ooggetuigenverslagen zijn de elfen in de loop der jaren steeds kleiner van gestalte geworden en werden ze ook daarom vaak verward met kabouters. Kabouters hebben echter een wat betere reputatie. Zo was er ook een boerenknecht uit Heinkenszand, die hetzelfde was overkomen, maar dan met ‘kleine mannekes’. Ook zijn beker is lang bewaard gebleven.

Bronnen

Jan Kuipers, Dwaallichten in de Delta; volksverhalen, schedels en schatten en andere wetens- en merkwaardigheden uit het Zeeuwse, Goes 1988, 34-39.
J.R.W. en M. Sinninghe, Zeeuwsch sagenboek, Zutphen 1933, 5-94, m.n. 16-21.
Alf (mythisch wezen) op Wikipedia