Het ijdele melkmeisje en het Ronde Putje

In het Ronde Putje in Oost-Souburg zou volgens een volksverhaal een melkmeisje verdronken zijn nadat ze haar klanten had opgelicht om een paar gouden krullen te kunnen kopen. Beeldend kunstenaar Jan Haas vatte haar in brons. Het beeld staat naast de gewraakte put in Oost-Souburg.

Beeld van het vallende melkmeisje, gemaakt door Jan Haas, bij het Ronde Putje in Oost-Souburg. (foto Ruben Koman)Beeld van het vallende melkmeisje, gemaakt door Jan Haas, bij het Ronde Putje in Oost-Souburg. (foto Ruben Koman)

Keetje, de mooie dochter van een arme boer uit Oost-Souburg, ventte elke dag in Middelburg melk uit. Op haar dagelijkse wandeltocht passeerde ze het Ronde Putje, een poel waaruit ze altijd wat water dronk en in het wateroppervlak haar spiegelbeeld bewonderde. Het sieraad aan haar muts was haar een doorn in het oog. Liever dan de koperen krullen droeg ze gouden krullen, maar haar vader was te arm om die te kunnen betalen. Ze bedacht een list. Door de melk met water aan te lengen kon ze elke dag een paar stuivers meer verdienen. Op die manier fraudeerde ze de gouden krullen bij elkaar.

‘Te krap gemeten! De ziel vergeten!’

Eindelijk was de dag gekomen dat ze de gouden krullen kon kopen en aan haar muts kon hangen. Op weg naar huis passeerde ze zoals gewoonlijk het Ronde Putje. Ze besloot even in het spiegelende wateroppervlak te kijken hoe de krullen haar stonden. Toen sloeg het noodlot toe. De krullen schoten los, vielen in de put en toen Keetje ze wilde grijpen, viel ze er zelf achteraan en verdronk.

De ziel van het ijdele melkmeisje vond geen rust. Nog altijd – zo luidt het verhaal – rijst rond middernacht een witte gedaante uit het Ronde Putje. ‘Half water, half melk! Te krap gemeten! De ziel vergeten!’, klinkt het dan.

Zwerfsage

Het verhaal van het ijdele melkmeisje is een moralistische zwerfsage. Het deed ook de ronde in Maastricht, Brussel, Antwerpen en Gent. Er zijn ook verhalen over kleermakers en bakkers die voor fraude werden gestraft. In een variant van het verhaal verdrinken wel de krullen maar Keetje niet.

Ronde Putje

Hoe het verhaal zich aan Oost-Souburg heeft gehecht, is onbekend. In 1850 publiceerde de auteur Hendrik Jan Schimmel een verhalend gedicht met deze strekking in de Nederlandsche Volksalmanak. Het is echter onduidelijk waar Schimmel het verhaal situeert. Omdat deze plek het Ronde Putje wordt genoemd, heeft men aangenomen dat het om de poel bij Oost-Souburg gaat. Dit was een pleisterplaats bij speelreisjes, waar men de paarden liet drinken en de fles liet rondgaan.

Het Ronde Putje bevatte toen echter weinig water. Het is bijna ondenkbaar dat iemand er in zou kunnen verdrinken. Ook het verhaal over de gouden krullen die losschieten, klopt niet. De krullen vormen de uiteinden van het oorijzer, dat in de ondermuts wordt gespeld. Ze hangen er dus niet aan en kunnen onmogelijk los gaan.

Het Ronde Putje is er nog altijd. Het bevindt zich in de Middelburgsestraat in Oost-Souburg. Sinds 1994 staat er een bronsplastiek van het vallende melkmeisje, gemaakt door Jan Haas.

Literatuur
W. de Blécourt e.a., Verhalen van stad en streek; sagen en legenden in Nederland, Amsterdam 2010, 449-451.