Leesbaar landschap: de kreken in Zeeuws-Vlaanderen

verhaal Stichting Het Zeeuwse Landschap, gepubliceerd op

De Zeeuws-Vlaamse kreken vormen één brok gestolde historie en elke keer is het net weer even anders dan je zou denken. Tot je goed gaat kijken…

Vaak waren het oorspronkelijk getijdenkreken die bij de bedijking van een polder nog zo breed en diep waren dat ze als waterpartij zichtbaar bleven. Maar er zijn ook doorbraakkreken, ontstaan tijdens stormvloeden en zelfs kreken die grotendeels door mensen gegraven zijn.

We beginnen bij de Baarzandse kreek, bij Groede. De kaart wijst uit dat het hier om een doorbraakkreek gaat, die ontstaan is vanuit het oosten. De omgeving van Groede was al in de Middeleeuwen bewoond, maar in de zestiende en zeventiende eeuw moest de Oude Groesche polder worden opgegeven na verschillende doorbraken. De prachtige Middeleeuwse kerk bleef wel intact. De Baarzandse kreek ontstond als gevolg van een doorbraak ter plaatse van een oude getijdenkreek, die nog is te herkennen aan de brede, laaggelegen oeverlanden.

Kreken die bij een doorbraak ontstaan worden gekenmerkt door hoge steile oevers. De iets zuidelijker gelegen Nieuwkerksche kreek is er een prachtig voorbeeld van. Zo verraadt de vorm van een kreek vaak zijn ontstaansgeschiedenis.

Verder zuidwaarts ligt de Blikken. De naam wijst op de vanouds natte ligging van dit uiteinde van de Nieuwkerksche kreek en is een verbastering van ‘blinkend’, wat wijst op de weerkaatsing in het water. Door inrichtingswerken heeft de Blikken zijn oude glorie teruggekregen en er zijn weinig kreken die zo in trek zijn bij vogelaars.

De polder ten zuiden van de Blikken ziet er op het eerste gezicht niet heel bijzonder uit. Wat wel opvalt is dat er slootjes lopen die een scherpe overgang in de hoogteligging van het maaiveld markeren. De ene kant van de sloot ligt plaatselijk meer dan een meter hoger dan de tegenovergestelde oever.

Het gaat om sporen van oude, heel kleinschalige bedijkingen. In de tijd dat Groede een eiland was, stroomde hier een brede zeearm, die uitmondde in het Zwarte Gat, tussen de eilanden Groede en Cadzand. Als je de kaart in detail bestudeert zie je dat tussen de Nieuwe Groese Polder waar de Blikken in ligt en de vroeger ‘overkant’, de Groote Henricuspolder, niet zomaar één polder ligt, zoals het op het eerste gezicht lijkt. Vanaf beide oevers zijn er kleinschalige bedijkingen uitgevoerd. De oude dijken zijn nog zichtbaar als steilrandjes. De kreek is als het ware van twee kanten ‘opgerold’ door inpolderingen. Vanaf de noordzijde (Groese kant) werd de Van der Lingens polder bedijkt en vanaf de zuidzijde de Kleine Henricuspolder. Tussen die poldertjes lag nog een smalle bedding die later afgedamd werd onder de naam Snouck Hurgronjepolder. De insteekhaven aan de westkant kreeg de naam Marolleput.

Verder naar het zuiden ligt de volgende kreek, de Reep in de Groote Henricuspolder. Een plek met een paar fikse bochten in de dijk, wat duidelijk maakt dat hier één of meerdere doorbraken hebben plaatsgevonden. Het noordelijk deel van de Reep is in feite een weel, een doorbraakkolk, en deze wordt in de volksmond de Henricusput genoemd. De naam weel komt in Zeeuws-Vlaanderen alleen voor in de omgeving van Clinge, waar de ‘Weelkens’ liggen.

We eindigen ten zuiden van Oostburg, bij het Groote Gat. Ooit beroemd om zijn ‘levende stenen’. Voor de Tweede Wereldoorlog stond er zelfs een bidkapelletje dat was opgetrokken uit dit inlandse ‘koraal’. Deze kreek, op het eerste gezicht niet anders dan andere, is grotendeels van menselijke oorsprong. Gegraven om, via doorstroming naar de Westerschelde, het Zwin bevaarbaar te houden.

Bron: ZEEUWSLANDSCHAP 30-2, 2014.