Dijkwerkersbeeld Veersedam

verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

Mannen van graniet zijn het, letterlijk en figuurlijk: de vier zeer hoekige ‘dijkwerkers’ van het gelijknamige beeld door Peter de Jong. Dit kunstwerk uit 1981 staat op een aarden, met gras begroeid plateau aan de Noord-Bevelandse kant van de Veersegatdam. Het ligt tussen natuurgebied Schotsman en de in 1961 voltooide dam. Het beeld is omringd door een stoere, natuurstenen ‘noppenbekleding’, als het buitentalud van een van de Zeeuwse zeeweringen.

Het monument bij de Veersedam.Het monument bij de Veersedam.

Polderjongens

Dijkwerkers en ‘polderjongens’ waren eeuwenlang niet weg te denken uit de Zeeuwse samenleving. Het waren nomadische arbeiders die van werk naar werk trokken. Ze woonden in keten en barakken bij hun tijdelijke arbeidsplaats. Stakingen en sabotageacties van polderjongens vonden al plaats in de Grote of Zuid-Hollandse Waard. Dit was in de tijd van de Tweede Sint-Elisabethsvloed in 1421. De 16e-eeuwse waterstaatkundige Andries Vierlingh noemde deze mannen boeven en rabauwen, die liever de bierton bestormden dan een dijk maakten.

Niet verwonderlijk misschien, als je de leefomstandigheden en zware werkzaamheden in aanmerking neemt. Toch behielden de polderjongens nog eeuwenlang daarna hun reputatie als gevreesde ‘onmaatschappelijken’, losgeweekt uit de gebruikelijke sociale verbanden.

Conflicten

In grote drommen en onder povere omstandigheden bij elkaar vormden ze kweekplaatsen van sociale conflicten met dijkbazen en dijkgraven, onderlinge intimidatie, ontucht en alcoholisme. Een indruk van hun menigte blijkt uit een schatting uit 1869. Toen waren 8.000 tot 10.000 arbeiders betrokken bij de kanaal- en spoorwegwerken op Walcheren.

Over de puthaak

Een van de typische gebruiken van de polderjongens was het ‘huwelijk over de puthaak’. Dit was een simpel ritueel dat het samenleven tussen een polderjongen en een keetmeid bevestigde. Twee oudere arbeiders hielden aan weerszijden een puthaak vast, waarover dan de ‘bruid’ en ‘bruidegom’ sprongen. Dat was alles.

De Zeeuwse bevolking had doorgaans een grote afkeer van de van heinde en verre samengestroomde dijk- en kanaalwerkers en hun weinig ingetogen levenswijze. Dat wantrouwen was zelfs na de Tweede Wereldoorlog, bij de droogmaking van het in 1944 geïnundeerde Walcheren, niet geluwd.

Literatuur
M.P. de Bruin, Over dijkgraven en polderjongens, in: Archief van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 1970, 100-114.
J.L. Kool-Blokland, De rand van ’t land; waterschapsgeschiedenis van Schouwen en Duiveland, Middelburg 2003.