De strijd om Zeeland in de late middeleeuwen

In de late middeleeuwen voerden de graven van Vlaanderen en Holland bijna doorlopend strijd om de macht over Zeeland. Dit leidde in 1295 tot de Slag bij Baarland, waarbij de Zeeuwse adel de zijde van de graaf van Holland koos.

Tussenschakel

Zeeland bewesten Schelde (Walcheren en de Bevelanden) werd al langer betwist door de graven van Vlaanderen en die van Holland. Het gebied was in bezit van de Duitse koning. Die beleende er de graaf van Vlaanderen mee. En die gaf het op zijn beurt weer in leen aan de graaf van Holland. De graaf van Holland vond die tussenschakel lastig en wilde het gebied, net als de rest van Zeeland, rechtstreeks in leen houden van de Duitse koning.

Rooms-koning Willem II

Willem II werd in 1234 graaf van Holland en Zeeland. Toen hij in 1247 ook nog eens koning  van het Duitse Rijk werd, ontstond een merkwaardige situatie. Als graaf van Holland hield Willem II Walcheren en de Bevelanden in leen van de graaf van Vlaanderen. Maar de graaf van Vlaanderen hield dat gebied op zijn beurt in leen van de Duitse koning. En dat was op dat moment Willem II zelf. Willem maakte dan ook van de gelegenheid gebruik om Walcheren en de Bevelanden rechtstreeks op te eisen. Hij weigerde leenhulde te doen aan gravin Margaretha van Vlaanderen. Toen hij als rooms-koning Margaretha ook nog de Vlaamse rijkslenen ontnam, was de maat voor Margaretha vol. Ze besloot tot een aanval op de kust van Walcheren. De zogeheten Slag bij Westkapelle op 4 juli 1253 mondde uit in een grote nederlaag voor haar troepen.

Willem II zoals afgebeeld in de 'Croniik van Zelandt' van Marcus Zuerius van Boxhorn (1644).Willem II zoals afgebeeld in de ‘Croniik van Zelandt’ van Marcus Zuerius van Boxhorn (1644).

Voordeel

Na de dood van rooms-koning Willem in 1256 was het een tijdlang rustig. In de praktijk eindigde toen de zeggenschap van de graaf van Vlaanderen over het gebied. De Zeeuwse edelen waren nu verantwoording verschuldigd aan de graven van Holland. Al met al wisten de edelen de situatie in hun voordeel uit te buiten. Ze dwongen de graven voorrechten af. De ene keer kozen ze de zijde van de graaf van Holland, dan weer die van de graaf van Vlaanderen en onderling waren ze het ook lang niet altijd eens.

Slag bij Baarland

In 1295 trokken de Zeeuwse edelen weer met de Hollanders op. De graaf van Holland had een grote aanval op Vlaanderen laten uitvoeren. Daarbij was Sluis verwoest. Een aantal maanden later namen de Vlamingen wraak. Ze rukten met een leger van 3000 man op naar het dorpje Baarland op Zuid-Beveland. Vooraanstaande Zeeuwse edelen (Wolfert van Borsele en Dodijn van Everinge) hadden in de omgeving bezittingen. Het is onduidelijk of er op dat moment al een kasteel op Baarland stond. Waarschijnlijk stond er wel een versterkte woontoren.

Waszegel van Floris V, circa 1266-1296. (collectie Rijksmuseum)Waszegel van Floris V, circa 1266-1296. (collectie Rijksmuseum)

De Slag bij Baarland werd door Floris V gewonnen. Troepen van de graaf van Holland en van Zeeuwse edelen, onder wie Wolfert van Borsele en Dodijn van Everinge, brachten de Vlamingen een grote nederlaag toe. Duizend manschappen werden gedood, 1500 gevangen genomen en daarna naakt in bootjes de Schelde op gestuurd.

Diplomatiek einde

Floris V kwam een jaar later om het leven. Na zijn dood was de chaos in het graafschap groot. De Zeeuwse edelen, met Wolfert van Borsele en Jan van Renesse voorop, namen toen in Zeeland het heft in handen. In de slag bij Lodijke in 1301 werden ze echter definitief verslagen door sympathisanten van graaf Jan II van Holland. Het diplomatieke einde van de kwestie rond de heerschappij over Zeeland bewesten Schelde kwam met het sluiten van de Vrede van Parijs in 1323. De huidige Westerschelde werd daarbij de grens tussen de graafschappen Holland en Vlaanderen.

Literatuur
Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375, Hilversum 2004.
Peter Henderikx, Politieke geschiedenis, bestuurlijke instellingen, in: Paul Brusse en Peter Henderikx (red.), Geschiedenis van Zeeland, dl. 1: prehistorie – 1550, Zwolle/Utrecht 2012, 107-124.