Waar is het graf van rooms-koning Willem?

Na de dood van rooms-koning en graaf van Holland Willem II (1227-1256) gingen vele jaren voorbij voordat hij fatsoenlijk kon worden begraven. Dat gebeurde uiteindelijk in de Middelburgse Abdij. Zijn grafmonumenten hier gingen meerdere malen verloren. Het is zelfs onzeker of het graf van Willem II (nog) wel in Middelburg is.

Profiel van de vermeende grafnis met grafzerk van rooms-koning Willem II in de Koorkerk te Middelburg, Johannes Hubertus Reijgers, 1817-1820. (Zeeuws Archief, coll. Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata)Profiel van de vermeende grafnis met grafzerk van rooms-koning Willem II in de Koorkerk te Middelburg, Johannes Hubertus Reijgers, 1817-1820. (Zeeuws Archief, coll. Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata)

Haard

Willem II is in 1256 door de West-Friezen vermoord in de omgeving van het Noord-Hollandse plaatsje Hoogwoud. Zijn lichaam werd echter niet direct teruggevonden. Waar was het gebleven? Graaf Floris V, zoon en opvolger van Willem II, rekende 26 jaar later af met de West-Friezen. Tijdens een strafexpeditie in 1282 vertelde een gevangengenomen oude man waar het gebeente van de rooms-koning te vinden was. Het lag begraven onder de haard van een huis in Hoogwoud. Men groef de stoffelijke resten op en maakte ze schoon. Ze werden bijgezet “in enen scrinen suverlike te Middelborch in de abdie” (dat wil zeggen: in een prachtig graf in de Abdij te Middelburg).

Abdij van Middelburg

In die tijd begroef men de vorsten uit het Hollandse Huis normaal gesproken in het Zuid-Hollandse Rijnsburg. Toch werd het gebeente van Willem II in 1282 in de Middelburgse Abdijkerk bijgezet. Daar lagen meer familieleden van hem, te weten: zijn broer Floris de Voogd (overleden 1258), zijn weduwe Elisabeth van Brunswijk (overleden 1266), de vrouw van graaf Floris III Ada van Schotland (overleden 1208) en Floris, de in 1210 overleden zoon van Ada van Schotland en graaf Floris III.

Bij een grote stadsbrand in 1492 is deze graftombe uit 1282 vermoedelijk verloren gegaan.

Verdwenen

Tussen 1542 en 1546 werkte men aan een fraai nieuw grafmonument voor de rooms-koning. Het werd uitgevoerd in renaissancestijl. De oprichting van dit monument gebeurde in opdracht van de abt Floris van Schoonhoven. Helaas was ook deze tombe geen lang leven beschoren. In 1568 werd het samen met een prachtig retabel (= gebeeldhouwd of geschilderd achterstuk van een altaar) van de schilder Jan Gossaert (ook bekend als Mabuse) door brand vernietigd. Vanaf dat moment verdween Willem II opnieuw voor bijna 250 jaar.

Middeleeuws riddergraf

In 1817 ontdekte N.C. Lambrechtsen van Ritthem, voorzitter van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, in een nis in de Middelburgse Koorkerk een middeleeuws riddergraf. Een hardstenen beeld van een liggende ridderfiguur versiert de graftombe. Het beeld van de ridder met maliënkolder en schild is zwaar beschadigd. Lambrechtsen meende het graf van Willem II te hebben ontdekt.

Later volgden meerdere onderzoeken van het graf. Uit deze studies blijkt dat er toch reden tot twijfel is. Het zou hier namelijk ook om de graftombe van Willems broer Floris kunnen gaan. Floris de Voogd overleed in 1258 aan de gevolgen van verwondingen die hij opliep tijdens een riddertoernooi in Antwerpen.

Wel of niet?

In 1980 werd de tombe opnieuw geopend en onderzocht. B.K.S. Dijkstra, keel-, neus- en oorarts in ruste, bestudeerde de inhoud. Hij kwam tot de conclusie dat het gaat om een skelet van een man van ongeveer 28 jaar oud. Deze persoon was een gewelddadige dood gestorven. Het zou dus Willem II kunnen zijn.

DNA-onderzoek skeletresten

Op 23 maart 2011 werd een nieuw onderzoek gestart. De skeletresten uit de tombe in de Koorkerk werden onderworpen aan een fysisch antropologisch en DNA-onderzoek. In combinatie met aanvullend historisch onderzoek zou dit naar verwachting leiden tot meer duidelijkheid over de herkomst van de skeletresten. Op grond van deze onderzoeken concludeerde de historicus E.H.P. Cordfunke in 2013 dat het hier het graf van de rooms-koning betreft. Anderen betwisten zijn interpretatie van de bronnen en menen dat het waarschijnlijker is dat het gaat om het graf van Willems broer Floris de Voogd.

Onderzoek graftombe Koorkerk, 2011. Verwijdering van de skeletresten door professor George Maat.Onderzoek graftombe Koorkerk, 2011. Verwijdering van de skeletresten door professor George Maat.

Onderzoek graftombe Koorkerk, 2011. Plaatsen van een los bot in de polytheen doos. De beschermende middelen zijn nodig om te voorkomen dat vreemd DNA-materiaal op de skeletresten terechtkomt.Onderzoek graftombe Koorkerk, 2011. Plaatsen van een los bot in de polytheen doos. De beschermende middelen zijn nodig om te voorkomen dat vreemd DNA-materiaal op de skeletresten terechtkomt.

Beelden in Middelburg

Middelburg en rooms-koning Willem II blijven op andere manieren wel met elkaar verbonden. Een plein of straat is er nooit naar hem vernoemd. Willem II is wel twee keer in steen vereeuwigd in de Zeeuwse hoofdstad. Zo kan men hem zien zitten in een nis boven de Gistpoort, uitkijkend over het Damplein. Links en rechts naast hem staan de beelden die Recht en Geloof voorstellen. Ook is hij opgenomen in de beeldenrij in de voorgevel van het Middelburgse stadhuis, als negende van links.

Gistpoort omstreeks 1950. (Zeeuws Archief)Gistpoort omstreeks 1950. (Zeeuws Archief)

Literatuur
E.H.P. Cordfunke, Willem II, graaf van Holland en Roomskoning, een zoektocht naar het koningsgraf in Middelburg, Zutphen 2013.
E. Dhanens, Het graf van Rooms-Koning Willem II en de rol van Jan Gossaert in de wederuitrusting van de Koorkerk te Middelburg, in: Academiae Analecta. Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België 48 nr.1  (1985).
B.K.S. Dijkstra, Een stamboom in been; vier eeuwen graven en gravinnen van het Hollandse Huis, Amsterdam 1991.
P.A. Henderikx, De graven en grafmonumenten van graaf/rooms-koning Willem II en Floris de Voogd in het koor van de abdijkerk te Middelburg, in: Archief, mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 2014, p. 5-63.