Yerseke Moer

Een leesbaar landschap

De Yerseke Moer vormt een landschap, waar de sporen van menselijke activiteiten uit vele eeuwen terug te vinden zijn. Het lijkt wel een openlucht-geschiedenisboek. Vaak heeft de natuur er een eigen draai aan gegeven en kunnen we uit de plantengroei opmaken hoe en waar er gemoerneerd is of zien we waar en hoe de middeleeuwse schaapherder met zijn kudden verbleef en rond trok, alsof dat nog maar pas geleden is. Het is een van de best bewaard gebleven oudlandgebieden, met het daarvoor kenmerkende landschap van kreekruggen, poelgronden en drinkputten. En, een toonbeeld van een vruchtbaar samenspel van mens en natuur.

Moeras

Zo’n tweeduizend jaar geleden was het hier nog één groot moeras. Een moeras waar veenvorming plaatsvond. De naam ‘moer’ helpt ons dit verre verleden te herinneren. Naar alle waarschijnlijkheid was het gebied in die tijd, door de natte ligging, onbewoond. Kort na het begin van onze jaartelling is het oude moerasgebied overstroomd met zeewater.

Zout

Langzamerhand vormde zich toen een schorachtig landschap. In het veen schuurden zich talrijke kreken en geultjes uit. Op de kreekoevers werd door het water zand en slib afgezet en vormden zich een soort natuurlijke dijkjes, de oeverwallen.

Daarbuiten, in de kommen, heeft de zee in de loop van de eeuwen een kleilaag afgezet. Het onderliggende veen is eeuwenlang overspoeld met zeewater en daardoor doordrenkt met zout.

In gebruik genomen

Omstreeks het begin van de elfde eeuw is dit gebied bedijkt. Tot die tijd was het waarschijnlijk alleen in gebruik door rondtrekkende schaapskudden. Na de bedijking heeft men het meer in cultuur gebracht. Alleen op de kreekruggen – de grotendeels dichtgeslibde kreken, samen met de oeverwallen – was bebouwing mogelijk. De laaggelegen poelgronden of kommen stonden een groot deel van het jaar onder water en waren alleen bruikbaar als weidegrond.

De mensen wisten destijds goed in te spelen op de natuurlijke opbouw van het gebied. De zandige kreekbeddingen werden wegen en van daaruit kon men het gebied ontginnen.

Moernering: het afgraven en verhandelen van veen

Het in het veen – ook wel derrie of darink genoemd – aanwezige zout was gedurende vele eeuwen een kostbare grondstof, en zout lag hier als het ware voor het oprapen. Men groef over grote oppervlakten het zoute veen weg. Daarvoor werd eerst de kleiige bovenlaag verwijderd en in de nabijheid op een hoop gegooid. Vervolgens werd het veen met brede spaden in langwerpige stukken gestoken, tot op de diepte die de waterstand op dat moment toeliet.

Eerst gebeurde dat tamelijk ongeorganiseerd, slordig bijna; er was immers zout in overvloed. Het was de tijd van de ‘wilde moernering’. Wat daar nu van rest is een ‘hollebollig’ landschap. Later werd de moernering aan regels gebonden en werd er gewerkt per recht stuk grond (blokmoernering) of op lange stroken (strokenmoernering). Ook dat patroon is tot op de dag van vandaag nog goed te zien.

Tussen de ‘gemoerde’ slenken werden stukjes veen uitgespaard, om daar turven op te stapelen. Vaak waren de slenken ongeveer twee spa-lengten breed en werden ze aan weerszijden begrensd door legakkers. Om de turven af te voeren werden weggetjes – wegelingen – aangelegd naar de dichtstbijzijnde kreekbeddingweg. Een kreekloop volgen kon daarbij meestal niet; men moerneerde immers juist in de kommen. De oude moerpaadjes zijn daarom veelal tamelijk rechttoe-rechtaan. Tegenwoordig vervullen deze ‘zoekwegen’ vaak nog een belangrijke functie voor de ontsluiting van weidepercelen.

Omgekeerd landschap

Met een beetje fantasie zie je de darinkdelvers hier nog aan het werk, met hun spaden en kruiwagens. De geulen die nu vol water staan, zijn de stukken die destijds als aflegkades en scheidingsmuren tussen de putten werden gebruikt. De uitgravingen werden na afloop volgegooid met de eerder afgegraven klei. Die klonk minder in dan het veen, en ligt nu dus hoger. Zo zie je de activiteiten in een omgekeerd landschap terug.

Naar z’n moer

Waar de ‘wilde moernering’ gebeurde bleef het terrein erg ‘hollebollig’ achter, met soms hoogteverschillen van twee à drie meter: het landschap was ‘naar z’n moer’ geholpen. Daar kijken we nu heel anders naar: de vele zout/zoet-, hoog/laag- en droog/nat-overgangen bieden een schat aan natuurwaarden. Het terrein varieert van bloemrijke hooilanden met ratelaars en fijn goudscherm naar plasdras terreintjes met zoutplanten als zeekraal en zilte waterranonkel. Vele vogelsoorten voelen zich thuis: weidevogels zoals kievit, tureluur, grutto en veldleeuwerik en overwinterende ganzen waaronder de kol-, brand- en rotgans.

Tel daar de cultuurhistorische waarde bij op en het zal duidelijk zijn: op zo’n gebied moet je heel zuinig zijn!