Vrouwen in de handel en nijverheid

Vrouwen zijn al eeuwenlang actief in het arbeidsproces. In lagere sociale klassen was het geld dat vrouwen verdienden noodzakelijk voor het bestaan van het gezin. Thuiswerk was de meest verbreide vorm van vrouwenarbeid. Ook een winkel aan huis gaf vrouwen de gelegenheid huishouden en betaalde arbeid te combineren. Slechts een beperkt aantal vrouwen was werkzaam in fabrieken. ‘Nette’ beroepen als secretaresse, verkoopster en apothekersassistente werden typisch vrouwelijke beroepen gevonden.

Winkelpersoneel van de manufacturenzaak Rivière in Middelburg, circa 1938-1940. (Zeeuws Archief)Winkelpersoneel van de manufacturenzaak Rivière in Middelburg, circa 1938-1940. (Zeeuws Archief)

Een eigen zaak

Een winkel bood de gelegenheid te werken zonder uit huis te gaan. Dit was vooral gunstig voor oudere vrouwen en vrouwen met kinderen. Ze konden huishoudelijk werk met een winkel combineren. Die winkeltjes, vaak in een voorkamer met een deel van de hal erbij getrokken, waren kleine supermarkten of kruidenierswinkels. Je kon er van alles kopen. Van drop tot zeep, van schuurpapier tot spelden. Van alle artikelen waren slechts een paar exemplaren op voorraad.

Melkverkoopster gaat met de melk in bussen de huizen langs in Westkapelle. Foto van omstreeks 1961. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland)Melkverkoopster gaat met de melk in bussen de huizen langs in Westkapelle. Foto van omstreeks 1961. (ZB, Beeldbank Zeeland)

Veel vrouwen verkochten ook de producten van hun echtgenoten: groenten van het land of vis. Ook sleten ze deze handelswaar huis aan huis of bijvoorbeeld op de markt in Goes of Middelburg. Beroepen in deze handelstak die rond 1900 veel werden uitgeoefend, waren de verkoop van kleding, voedings- en genotmiddelen, het venten van melk en het houden van een café of herberg.

Snoep en textiel

Het aantal vrouwen dat in de industrie werkzaam was, bleef beperkt. In 1899 waren dit er 1.498. In 1947 waren het er 2.300; slechts 800 meer. Een van de eerste fabrieken waar vrouwen werkzaam waren, was de Van Melle Confectionery Works in Breskens. De vrouwen werkten hier op de inpakafdeling. Deze en andere snoepfabrieken besteedden ook werk uit aan thuiswerkers die het snoepgoed van wikkels voorzagen.

Medewerkster bezig met de productie van snoepgoed in de fabriek van Van Melle in Breskens, circa 1972. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)Medewerkster bezig met de productie van snoepgoed in de fabriek van Van Melle in Breskens, circa 1972. (ZB, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)

In de was- en strijkinrichtingen in de steden waren ongeveer 200 vrouwen werkzaam, vooral ongehuwde vrouwen. In 1899 telde Zeeland ruim 600 zelfstandige naaisters en kleermaaksters. Vooral in Zeeuws-Vlaanderen werd veel kant gemaakt voor de Belgische industrie. Het vervaardigen van confectiekleding kwam na 1900 sterk op. Zo richtte Emile Lockefeer in 1910 in Hulst een textielfabriek op.

Erwten verlezen

De wijdst verbreide vorm van thuiswerk in Zeeland was het zogenaamde verlezen van erwten. Bij het sorteren werden de slechte erwten verwijderd. Graanhandelaren kochten de erwten op bij de boeren en sloegen de voorraad op in pakhuizen. Rond 1910 waren hier ruim 900 gezinnen bij betrokken.

Het waren vaak gehuwde vrouwen die dit werk deden om zo wat bij te verdienen. Dat thuiswerk verslechterde echter juist hun positie.

Werd dit werk in pakhuizen gedaan dan kregen de vrouwen een vast dagloon. Voor thuiswerk werd stukloon uitbetaald, dat steeds lager werd. Werd in 1890 in Goes nog fl. 1,75 voor een hectoliter gegeven, twintig jaar later was dat nog maar 85 cent of minder. Bovendien hadden de thuiswerkers er zelf de kosten van behuizing, verlichting en verwarming bij.

Arbeid voor vrouwen uit de burgerij

Voor arbeidersvrouwen was het noodzakelijk om te werken. Vrouwen uit de burgerij beschouwden het als een schande om te moeten werken voor geld. Alleen een baan als gouvernante (privé-onderwijzeres) kon de morele goedkeuring wegdragen. Voor vrouwen uit de lagere regionen van de burgerij waren er andere beroepen. Dit waren: secretaresse, verkoopster, typiste, apothekersassistente en verpleegster, allemaal beroepen met een dienstverlenend karakter. De werkzaamheden in deze ‘nette’ werkomgeving deden een beroep op de zogenaamde vrouwelijke eigenschappen. Dat waren zorgzaamheid, nauwgezetheid, ordelijkheid en dienstbaarheid.

Apothekersassistentes in de apotheek van Van de Sande in Vlissingen, omstreeks 1964. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)Apothekersassistentes in de apotheek van Van de Sande in Vlissingen, omstreeks 1964. (Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, foto A. van Wyngen)

Arbeidsrechten

Vrouwen kregen voor hun werk altijd minder betaald dan mannen. Daardoor waren ze aantrekkelijk voor werkgevers. Aanvankelijk waren het vooral vrouwen uit de burgerij die in de warenhuizen – een nieuw verschijnsel rond de jaren twintig van de 20ste eeuw – werkten. Werkneemsters waren verplicht nette kleding te dragen en die hadden vrouwen uit de arbeidersklasse niet.

Naarmate er meer warenhuizen kwamen, zakte het beroep in achting en gingen er ook meer vrouwen uit de lagere sociale klassen werken. De arbeidsomstandigheden waren slecht. De vrouwen hadden amper pauzes en ze mochten niet zitten zolang er een klant in de winkel was. Dankzij Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland, heeft iedere verkoopster ook nu nog het recht om te zitten.

Literatuur
M. Braun, De prijs van liefde; de eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis, Amsterdam 1992.
Elly Kloos, Irma Bogers, Marlies Jongejan (samenst.), Zelden rust; toelichting bij de tentoonstelling over vrouwenarbeid in Zeeland 1900-1940, Middelburg 1987.