Op het durp en in de stad

Mensen die van origine dialect spreken maken er vrijwel nooit een fout mee. Je woont op een dorp of in een stad. Dat gebruik van voorzetsels heeft alles te maken met de geschiedenis van het cultuurlandschap. Je ziet in alle Zeeuwse dorpen dat het dorpscentrum hoger ligt dan dan de omgeving. Soms is dat hoogteverschil aanzienlijk, zoals bijvoorbeeld in Kloetinge en Wemeldinge. In jongere dorpen, zoals Lewedorp en Anna Jacobapolder vind je dergelijke hoogte verschillen niet.

De hoge ligging van de dorpskernen is voor een deel van natuurlijke oorsprong. Toen het land, na een eeuwenlange periode van onbewoonbaarheid, in de Middeleeuwen weer opnieuw bewoond werd, zochten de nieuwe bewoners de hoogste kreekruggen op om zich daar te vestigen. In veel gevallen werden die kunstmatig nog wat verder opgehoogd, zodat de bewoners tijdens stormvloeden zo weinig mogelijk gevaar liepen. De hoge ligging van de oude dorpen heeft zich verankerd in de taal en daarom woon je als Zeeuw op een dorp.

Voor de steden werd natuurlijk evengoed een hoge plek in het landschap gekozen en met kunstmatige ophoging was het al niet anders. Dat je niet op, maar in een stad woont heeft te maken met het feit dat een stad omringd was door wallen of muren. Binnen de veiligheid van wallen of muren woonde men in de stad.

Bron: ZEEUWSLANDSCHAP  26-4, 2010.