De oude gevangenis in Middelburg

Op de plek waar nu de rechtbank is gehuisvest stond ooit het Middelburgse Huis van Bewaring. Wie zich verdiept in de geschiedenis van deze instelling stuit op interessante feiten en verhalen.

Al in het midden van de zeventiende eeuw (bouwjaar: 1642) was hier een tuchthuis – ook wel rasp- of spinhuis genoemd – waar gevangenen aan het werk werden gezet. In een rasphuis werden mannelijke gestraften gedwongen hout te raspen ten behoeve van de verfindustrie. Naast raspen van brazielhout moesten de mannelijke gevangenen in Middelburg ook weven of koren malen in een trapmolen. In het spinhuis moesten vrouwen dwangarbeid verrichten achter een spinnewiel.

In het boekje De Gestichten en Openbare Gebouwen van Middelburg geven A.A. Fokker en J.C. de Man een beschrijving van de Middelburgse gevangenis in het midden van de negentiende eeuw. Op dat moment is de gracht achter de gevangenis zwaar vervuild en verworden tot een stinkende modderpoel, die goed was te ruiken in de kamers en de keuken van het gevang. Deze stank werd nog vergroot door de openbare beerput direct achter het gevang. Als deze put vol was werden de uitwerpselen met emmers uit de beerput gevist en in een boot gemikt. ‘Dan was de lucht in den omtrek bedoezeld door ongezonde dampen,’ aldus Fokker en De Man.

Het gevangenencomplex, sinds 1825 Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering genoemd, telde in totaal 37 kamers voor gevangenen. Ook waren er twee ziekenzaaltjes, een vertrek voor getuigenverhoor en zelfs een ruimte om een (protestante of katholieke) kerkdienst te houden. Later, in 1862, kwam er nog een kleine bibliotheek. Tot slot was er ook een ruimte voor ‘ontaarde en ontembare’ kinderen.

De situatie voor de Middelburgse gevangenen was niet benijdenswaardig. Het drinkwater was van slechte kwaliteit en de gevangenen waren gedwongen in een hangmat te slapen. ’s Winters was het er niet te harden van de kou. Het gevangenencomplex was bovendien dusdanig slecht geventileerd, donker en vol ongedierte dat de regering het gebouw midden negentiende eeuw afkeurde. Wellicht ook omdat het in de praktijk voor gevangenen relatief makkelijk was om te ontsnappen.

In 1873/1874 werd de Middelburgse gevangenis grondig gerenoveerd. Na de verbouwing viel er meer licht en lucht in de vertrekken. Het exterieur werd in een meer eclectische stijl gegoten met een entree en een directeurswoning.

De oude gevangenis aan de Kousteensedijk. Links het gebouw van de ZB. (ZB, Beeldbank Zeeland, rec. nr. 68819, foto W. Helm, 30-3-1988)

Ook in de twintigste eeuw vonden er nog tal van verbouwingen plaats. Tot halverwege de jaren zestig was er op de mannenafdeling een slaapzaal in gebruik met daarin 16 kooien van gevlochten metalen strippen. Veel te klein, want de mannen konden er alleen met opgevouwen knieën in liggen. Nu was het in die tijd gewoonte om de gevangenen ’s maandags erwtensoep te serveren. Het was de nacht daarna voor de mannen dan ook een sport zo hard mogelijk te knallen. De kwaliteit van de lucht was dan niet om over naar huis te schrijven.

De Middelburgse gevangenis bleef uiteindelijk tot de jaren negentig in gebruik. Vanwege bezuinigingen ging het complex in 1974 op slot, maar het werd vanwege (landelijke) capaciteitsproblemen enige jaren later toch weer heropend. Het doek viel definitief in 1993 toen het gebouw werd afgebroken en op de plaats een nieuw pand van de rechtbank kwam. Aan de rand van de stad, aan de Torenweg tussen de wijken Dauwendaele en de Mortiere, verrees in 1995 een nieuwe penitentiaire inrichting (‘Torentijd’). Het nieuwe complex telt 144 cellen.

Bronnen
Jeanine Dekker, Dieven en dienders; misdaad in Middelburg, nr. 7 in de reeks Het leven in Middelburg, januari 2017, p. 192-194.
Frans van den Driest, ‘Ie zit over de brugge, in: De Wete, januari 2014, p. 27-31.
W.Z.C. Hinderks, Tuchtelingen; geschiedenis van het gevangeniswezen te Middelburg, in: De Wete, juli 2005, p. 14-23.

Tekst: Wim van Gorsel.