De vuist van Adriaan

door Roosanne Goudbeek
verhaal Zeeuws Archief, gepubliceerd op

De vuist van Adriaan Bra hangt tot op de dag van vandaag boven de schouw in het oude stadhuis van Veere, nu Museum Veere. Het is een bronzen vuist die hij als boetedoening in 1546 heeft moeten laten maken en betalen. Samen met twee andere handen getuigt de vuist van het recht dat ooit hier gesproken werd.

Behalve de gerechtsvuist van Adriaen Bra hangen ook die van Huebrecht Bremboes en Jacop Pieterssone boven de schouw van het stadhuis. Op deze plek was vroeger de vierschaar. Hier werden de drie ‘heren’ tussen 1546 en 1550 veroordeeld. Adriaen Bra was 9 oktober 1546 aan de beurt.

Gerechtsvuist van Adriaan Bra, 1546. Brons, hoogte 19.2 cm. (Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Veere)

Messentrekker Bra

Adriaenken Bra was visser van beroep. Hij werd veroordeeld voor het aanvallen van de baljuw met een mes. Dat mes had hij gewonnen bij een potje dobbelen (of teerling werpen). Cafébaas Pieter Ritssaerss. had het mes ter beschikking gesteld, op voorwaarde dat de winnaar de baljuw en zijn dienaren ermee zou ‘cloppen’. Ritssaerss. had nog een rekening te vereffenen.

’50 jaeren ende eenen dach’

Bra was de ‘gelukkige’ (en vast ook dronken) winnaar. Hij hield woord en ging een week later met het mes een dienaar van de baljuw te lijf. Hij werd gepakt en veroordeeld tot het laten maken van de vuist, maar dat was niet de enige straf. Daarnaast werd hij van Walcheren gebannen voor ‘den tijt van 50 jaeren ende eenen dach’. Kwam hij eerder terug dan betaalde hij daarvoor met ‘zijnen hals’.

Bijlslingerende schrijnwerker

Onder de vuisten in Veere is er één die een kleine bijl vasthoudt – de boetedoening van Hubrecht Bremboes. Dankzij aantekeningen van de geschiedschrijver Jacobus Ermerins uit 1791 weten we iets meer over het misdrijf van deze heetgebakerde Veerse schrijnwerker. Toen een stadsbode Bremboes een vonnis van de vierschaar kwam brengen, ontstak hij in woede en slingerde de bode een kleine bijl toe.

Gerechtsvuist van Hubrecht Bremboes, 1550. (Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Veere)

Brandende toorts

De baljuw van Veere veroordeelde Bremboes tot een boete van zestig Parijse ponden (dertig gulden) en de ‘afzettinge van des voorsz. Hubrechten rechter vuyst’. Bremboes verzocht om ‘gracie voor rigeur van justitie’ en beloofde het nooit meer te doen.

Burgemeester en schepenen velden 30 januari 1550 hun vonnis: de betaling van een wassen toorts (kaars) van twee pond waaraan een metalen vuist hing ‘met zynen naam daer op’. Bremboes diende blootshoofds met in beide handen de brandende kaars, waaraan de vuist hing, van de vierschaar naar de kerk te dragen. Daar moest hij op zijn knieën bidden voor het Heilig Sacrament. De kaars bleef in de kerk, maar de vuist moest hij daarna naar de vierschaar brengen, waar zij opgehangen zou worden. (Deze vuist is niet bewaard gebleven.)

‘eeuwige memorie’

Daarnaast werd Bremboes veroordeeld om binnen zeventien weken ‘een metale vuyst met een metale bylken daerin’ te laten gieten, en er zijn naam in te ‘sculperen’. Het object was eveneens bestemd voor de vierschaar ‘ten aenziene van eenen yegelyken tot een eeuwige memorie’. Bremboes maakte geen gebruik van de mogelijkheid deze straf af te kopen met de som van vier ponden Vlaams (deels bestemd voor herstellingswerken aan de Veerse Kaai en deels voor de versiering van de rechtzaal).

Geld in plaats van bloed

Vissersman Bra en schrijnwerker Bremboes werden dus in respectievelijk 1546 en 1550 veroordeeld wegens mishandeling van ambtenaren in functie. Van Pieterssone, wiens hand op circa 1550 kan worden gedateerd, is onbekend welk misdrijf hij beging. Met de gerechtsvuisten kocht het trio een lijfstraf, het afhakken van hun hand, af. Zo leverde rechtspraak geld op in plaats van bloed.

Hand of hoofd

Veere is de meest noordelijke plaats waar objecten zoals deze vuisten voorkomen. In plaats van een vuist werd ook wel een hoofd (van de misdadiger) afgebeeld. Veelal uitgevoerd in brons of geelkoper, soms in ijzer of zelfs in zilver, komen ze het vaakst voor in West-Vlaanderen. Met uitzondering van Veere gaan de objecten vergezeld van een koperen plaat waarop de naam het misdrijf gemeld worden.

Gerechtsvuist van J. Pieterssone, 1546. Brons, hoogte 19.2 cm. (Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Veere)

Met naamsvermelding

De Veerse vuisten zijn gegoten. De exemplaren van J. Pieterssone en A. Bra hebben beiden een manchet, waarop de naam is gegraveerd en in het geval van Bra ook het jaartal van het misdrijf. De derde ‘hand’ houdt een kleine bijl vast. Op het blad van het bijltje is de naam van Huebrecht Bremboes gegraveerd.

De vermelding van de naam was belangrijk. De veroordeling tot het laten maken van een vuist of hoofd betekende namelijk niet alleen een geldboete. Door de naam van de veroordeelde te vermelden werd hij onteerd; ontheven van zijn goede naam. Zo werd een voorbeeld gesteld. Er ging een afschrikwekkende werking vanuit en tegelijkertijd werd er eerbied voor de wet afgedwongen.

Literatuur
Ermerins, J., Eenige Zeeuwsche oudheden …, II, (Middelburg 1791), p. 88-89.
Kanter, J. de, Utrecht Dresselhuis, J ab, De provincie Zeeland, (Middelburg 1824), p.156-158.
‘Koperen koppen en vuisten in het oude Vlaamse strafrecht’, door F. van Molle in: Antiek, augustus/september 1974, 9de jaargang nr 2 (Lochem 1974).

Stadhuiscollectie & Archieven
De gerechtsvuisten maken deel uit van de stadhuiscollectie Veere, die wordt beheerd door het Zeeuws Archief.
Het vonnis van Adriaen Bra is bewaard gebleven in het archief van de vierschaar van de stad Veere, rol van criminele zaken 1514-1552. (Zeeuws Archief, Rechterlijke archieven Zeeuwse eilanden (RAZE), inv.nr. 277A).

Dit verhaal verscheen eerder op de website van het Zeeuws Archief. Daar is ook de transcriptie te lezen van het vonnis van Adriaen Bra.