Voor- en tegenstanders van de slavenhandel

De handel in Afrikaanse slaven was zeer winstgevend en vele Zeeuwen verdienden hieraan hun brood. Toch was niet iedereen het met de gang van zaken eens. Sommige predikanten veroordeelden met name de handel in Afrikanen die tot het christendom waren bekeerd. Tegen de handel in ‘heidenen’ waren de bezwaren veel minder uitgesproken. Er werden dan wel bepaalde voorwaarden aan de handel gesteld.

Christenen kunnen geen slaaf zijn

Godefridus Udemans, predikant te Zierikzee, schreef over slavernij in een koopliedencatechismus, getiteld ’t Geestelyck roer van ’t coopmans schip (Dordrecht 1640) voor de bewindvoerders van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). Hij stelde dat een mens zowel lichamelijk als geestelijk slaaf kan zijn. De dood van Christus had de mens slechts bevrijd van geestelijke slavernij. Christenen moesten echter ook lichamelijk vrij zijn om de Heer goed te kunnen dienen.

Udemans was van mening dat christenen nooit tot slaaf gemaakt konden en mochten worden. Heidenen wel, mits ze verkocht waren door hun ouders of meesters of gevangen waren genomen in een ‘rechtvaardige’ oorlog. Hij pleitte overigens wel voor een redelijke en vriendelijke behandeling van de slaven. Als ze zich bekeerden tot het ware geloof dienden de slaven zeven jaar later in vrijheid te worden gesteld.

De vloek van Noach

Veel protestantse predikanten zagen een verband tussen dienstbaarheid en de vloek van Noach. Noach vervloekte zijn zoon Cham, nadat die hem naakt had gezien toen hij teveel had gedronken en zijn broers Sem en Jafeth daarop had gewezen (Genesis 9:18-27). Noach riep dat Cham en zijn nakomelingen – de Chamieten (zwarte volkeren) – tot eeuwige knechtschap gedoemd zouden zijn van zijn broers en hun nakomelingen, de Semieten (Joden, van Sem) en de Jafetieten (Europeanen, van Jafeth). Een van de vertolkers van deze theorie was Jacobus Capitein. Capitein was een voormalige slaaf die in Nederland werd opgeleid tot predikant en werd beroepen naar Fort Elmina in Ghana, een centrum van slavenhandel aan de West-Afrikaanse kust.

Jacobus Capitein. Schilderij door Pieter Tanjé. (collectie Rijksmuseum)Jacobus Capitein. Schilderij door Pieter Tanjé. (collectie Rijksmuseum)

“grove diverije”

Een van de weinigen die principieel tegen alle slavenhandel gekant was, was de Middelburgse predikant Bernardus Smytegelt (1665-1739). In zijn bundel Des Christens eenige troost in leven en sterven (Middelburg 1747) bestempelde Smytegelt het “stelen van eenen mensch” als “grove diverije”. Daarbij haalde hij Exodus 21:16 aan: “Die enen mensche steelt, zeid God, zal zekerlijk gedood worden. (…) Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen eene negotie van gemaakt.” Smytegelt vond dat de slaven evenals Jozef (Genesis 40:15) “dieffelijk ontstoolen” waren uit hun land.

Roomse handel

G. de Raad, predikant te West-Souburg, veroordeelde de slavenhandel op heel andere gronden. In zijn Bedenkingen over den Guineeschen slavenhandel der Gereformeerden met de papisten (Vlissingen 1655) beschouwde hij de slavenhandel als verwerpelijk. Hij vond dat echter alleen omdat protestanten daarvoor handel dreven met roomse Spanjaarden en Portugezen. Ook de Zierikzeese predikant Udemans veroordeelde de slavenhandel van de Spanjaarden en Portugezen, omdat deze rooms en dus antichristelijk was.

Literatuur
L.R. Priester, De Nederlandse houding ten aanzien van de slavenhandel en slavernij, 1596-1863, Rotterdam 1986.