Stoplappen

Stoplappen zijn oefenlappen waarop meisjes handwerktechnieken leerden. Netjes werken en zuinig omgaan met het dure textiel stonden voorop. Op stoplappen leerden meisjes beschadigd textiel zo onzichtbaar mogelijk te herstellen. Daartoe kregen ze ook les in weefsels en bindingen. Wie les kreeg van een beroemde handwerkonderwijzeres kon daarmee eer inleggen. Het goed kunnen naaien en stoppen was belangrijk om later een goede huisvrouw te kunnen zijn. Maar vrouwen konden met dit werk ook buitenshuis geld verdienen.

Handwerklessen

Stoplappen zijn lappen stof van linnen, katoen of wol waarop meisjes oefeningen maakten in stopwerk. We kennen zulke lappen al uit de zeventiende eeuw. In de twintigste eeuw raakten ze minder in zwang. Meisjes tussen de zes en twaalf jaar maakten de oefenlappen tijdens handwerklessen op school of in particuliere klasjes. Handwerklessen waren voor meisjes in die tijd even belangrijk of misschien wel belangrijker dan leren lezen en schrijven. Als jonge vrouw behoorde je namelijk niet alleen zedig en terughoudend te zijn. Je moest je bovenal bekwamen om in de toekomst een goede huisvrouw te kunnen zijn.

Stoplap van Catharina Johanna op den Dijk, 1779-1780 (Zeeuws Museum, KZGW, foto Ivo Wennekes).

Stoplap van Catharina Johanna op den Dijk, 1779-1780 (Zeeuws Museum, KZGW, foto Ivo Wennekes).

Onzichtbaar

Textiel was duur en werd zeer intensief gebruikt. Scheuren, gaten en slijtplekken dienden vakkundig, bijna onzichtbaar hersteld te worden. Voordat meisjes leerden hoe ze moesten stoppen, kregen ze les in wat weefsels en bindingen zijn. Ze maakten kennis met bijvoorbeeld plat- en effenbinding, keper- en satijnbinding.

Klamme handjes

Een oefenlap had een oplopende moeilijkheidsgraad. Stopje voor stopje werden met klamme handjes in verschillende kleuren de bindingen aangeleerd. Een fout zag de onderwijzeres onmiddellijk. Linnengoed was echter wit en het echte werk moesten de jonge meisjes in wit op wit doen, wat nog een graadje moeilijker is.

Oefeningen

De eenvoudigste oefening is het doorstoppen van de beschadigde stof in platbinding. Dit is één draad op en één draad neer, en dus nog goed te overzien. Al snel volgen de meer ingewikkelde bindingen als keper- en satijnbinding, visgraat- en jacquardbinding. Als je denkt dat je het dan onder de knie hebt, komt de lerares met een schaar en knipt een vierkant gat uit de oefenlap. Menig meisje zal tandenknarsend aan deze inzetstoppen begonnen zijn. Om het iets makkelijker te maken rijgt de naaister een kartonnetje of een speelkaart onder het geknipte gat om zo dichttrekken te voorkomen. En na deze inzetstop volgde nog de moeilijkste oefening: het onzichtbaar repareren van een winkelhaak.

Stoplap met stopwerk en merklapmotieven (linnen) van Lena Hendrik, 1723 (Zeeuws Museum, KZGW, foto Ivo Wennekes).

Stoplap met stopwerk en merklapmotieven (linnen) van Lena Hendrik, 1723 (Zeeuws Museum, KZGW, foto Ivo Wennekes).

Naam en status

Als kroon op het werk borduurde de maakster haar naam en die van haar onderwijzeres op de lap. Sommige onderwijzeressen waren berucht en beroemd tegelijk. Berucht vanwege hun werkwijze en beroemd vanwege hun vakbekwaamheid. Kon je aantonen dat jouw onderwijzeres een van deze dames was, dan verhoogde dat jouw status als borduurster en stopster.

Geld verdienen

Het maken, herstellen en versieren van textiel was een van de belangrijkste taken in het gezin. Buitenshuis gaf het vrouwen ook de kans om geld te verdienen als linnennaaister of stopster. Dit blijkt bijvoorbeeld uit oude advertenties in kranten waarin oproepen verschenen voor een dienstmeid die naast schoonmaken zeker ook bekwaam moest zijn in stopwerk.

Literatuur

M. Ruiter (eindred.), Vlas, Christien Meindertsma Kavel Gz 59-west, met teksten van Willem van den Broeke, Karina Leijnse, Nico Out en Antoine Vanhemelrijk. Folder verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in het Zeeuws Museum, november 2011.