Commies in oorlogstijd

Douanier Mulder aan de Belgische grens
verhaal Redactie Zeeuwse Ankers, gepubliceerd op

De jonge Antoni Mulder ging in 1916 als douanebeambte aan de slag in Koewacht. Het was Mulder meteen duidelijk: hij verkeerde aan de rand van oorlogsgebied. Tijdens zijn verblijf in Zeeuws-Vlaanderen hield hij zich hoofdzakelijk bezig met de bestrijding van de smokkelhandel en werd hij meerdere malen geconfronteerd met de Doodendraad.

Aan de Belgische grens ten zuiden van Hulst tijdens de Eerste Wereldoorlog. De namen van de personen zijn onbekend. (ZB| Beeldbank Zeeland)Aan de Belgische grens ten zuiden van Hulst tijdens de Eerste Wereldoorlog. De namen van de personen zijn onbekend. (ZB| Beeldbank Zeeland)

Mulder, die in Terwolde (Overijssel) werd geboren, werkte drie jaar in Zeeuws-Vlaanderen. Eerst werd hij gestationeerd in Koewacht, vervolgens in Zuiddorpe en per 1 september 1917 kwam hij in Sint Jansteen terecht, de grootste liniepost in Zeeuws-Vlaanderen, met 8 ambtenaren en zo’n 50 soldaat-commiezen. Mulder was inmiddels gepromoveerd tot dienstgeleider. In die functie moest hij onder meer de dienstroosters opstellen en de processen-verbaal controleren. Indien nodig ging hij ook zelf op jacht naar smokkelaars.

Sint Jansteen omstreeks 1920. (ZB| Beeldbank Zeeland)Sint Jansteen omstreeks 1920. (ZB| Beeldbank Zeeland)

Smokkel

In het door de Duitsers bezette België was aan bijna alles gebrek. Koeien, paarden, varkens, vet, eieren, van alles brachten smokkelaars, soms op ingenieuze wijze verstopt, de grens over. Als rijks douaneambtenaar moest Mulder de strenge maatregelen uitvoeren waarmee de smokkelhandel – in douanejargon ‘consumentenfraude’ genoemd – werd bestreden.

In de loop van 1917 nam de smokkelhandel toe. De Duitsers kregen aan steeds meer gebrek en ze waren bereid hoge prijzen te betalen. Mulder betrapte op een dag twee wielrijders die in de banden van hun fiets peper smokkelden. Ook achterhaalde hij de smokkel door een gerespecteerde manufacturier uit Westdorpe, die daardoor voor 6 maanden de gevangenis in draaide. De man kwam aan de grens met een wagen vol coupons stoffen en confectie-artikelen. In het van rijkswege verstrekte zakboek had hij netjes zijn lading genoteerd. Bij een grondig onderzoek van de wagen werd een tweede zakboek gevonden. Dat was bedoeld om te tonen nadat de koopman de gesmokkelde coupons aan de grens had gelost. Die coupons kwamen in het tweede zakboek vanzelfsprekend niet voor.

Douaniers aan de grens bij Hulst, 1914. (ZB| Beeldbank Zeeland)Douaniers aan de grens bij Hulst, 1914. (ZB| Beeldbank Zeeland)

Ook ontdekte Mulder na het nodige denk-, speur- en schaduwwerk een vetsmokkelaar, de goedlachse biggenhandelaar Kootje, die even buiten Sint Jansteen woonde. Hij bleek een dubbele bodem in zijn wagen te hebben, waar hij de balen vet verborg. De planken dekte hij af met stro en daarop vervoerde hij keurig geregistreerde biggen.

Fluitende kogels

Geweld werd niet geschuwd. Eenmaal vatte Mulder een beruchte smokkelaar uit Westdorpe en diens vrouw ‘bij de staart’. Aangezien de man als vuurwapengevaarlijk bekend stond, moest de commies voorzichtig te werk gaan. Toen hij het stel langs de rand van het bos zag naderen, verstopte hij zich in een droge sloot. Dichterbij gekomen, sprong hij tevoorschijn, zijn revolver op de smokkelaar gericht. Het echtpaar bleek een grote hoeveelheid harde zeep bij zich te hebben.

Op de nachtelijke routes werden soms paarden en koeien in beslag genomen. De gearresteerde smokkelaars moesten helpen om de dieren in het dorp te krijgen, maar weigerden dat vaak. Meestal lieten de commiezen hen dan net zo lang onder schot op de grond zitten tot ze wel wilden helpen. ‘Voor het fluiten van de kogels hadden zij in de regel wel respect,’ schreef Mulder later in zijn autobiografie.

In een zomernacht in 1918 kwam het tot een treffen met een groep van zo’n 40 smokkelaars. Die hadden wel door dat het menens was en riepen naar elkaar: ‘Blief staon, blief staon, of ie krieg een bal door je klôte.’ Een aantal van hen ging er in het donker toch vandoor. Twee smokkelaars liepen daarbij tegen de elektrische draad, die de Duitsers op de grens tussen Nederland en België hadden gespannen. Ze waren op slag dood. Twee anderen raakten gewond door schoten van de douane. De volgende dag kwam de bewoner van een huis zijn beklag doen, omdat er ook kogels door het dak van zijn huis waren gevlogen. Zijn kinderen waren aan de dood ontsnapt.

De douanebeambten kregen een premie voor elk stuk vee dat zij aanbrachten. Dat kon een aardige bijverdienste opleveren en die was welkom, want de lonen waren laag. Omgekeerd waren er ook douaniers die zelf deelnamen aan de smokkelhandel, want daaraan was flink te verdienen. Werden ze betrapt, dan volgde gevangenisstraf en ontslag op staande voet.

Dodendraad

Nadat Mulder in 1916 in Koewacht was aangekomen, betrok hij een kleine zijkamer van een pension. Vlak langs het raam liep de elektrische draad. Die moest Belgen en deserterende Duitse soldaten ervan weerhouden naar het neutrale Nederland te vluchten.

De Doodendraad door Koewacht, circa 1917. (ZB| Beeldbank Zeeland)De Doodendraad door Koewacht, circa 1917. (ZB| Beeldbank Zeeland)

In de tijd dat Mulder in Zeeuws-Vlaanderen gestationeerd was, zag hij vier smokkelaars omkomen door de elektrische draad. ‘Bij nacht zag je dan een blauwe flikkering en daarmee was weer een mensenleven heengegaan.’

Toen op 11 november 1918 de wapenstilstand werd afgekondigd, werden delen van de elektrische draad gestolen. België beschouwde de draad als oorlogsbuit en eiste hem op. De Nederlandse douane en de marechaussee werden ingezet om delen van de afrastering terug te vinden. Daarna hield Mulder zich weer bezig met de bestrijding van smokkel, die ook na de oorlog welig tierde. In 1919 werd hij overgeplaatst naar Nispen en verliet hij Zeeuws-Vlaanderen.

Dit verhaal is gebaseerd op het boek De dodendraad; en andere belevenissen van Antoni Mulder, belastingambtenaar 1890-1963, uitgave Nabij Producties, Nijkerk 2017.